Radio report: Death threats over ‘Black Pete’ in the Netherlands

zwartepiet

For years, the figure of Black Pete – or Zwarte Piet in Dutch – has been causing heated debates and even riots in the Netherlands. A UN commission had urged the iconic black face-painted figure be withdrawn, due to racism concerns. But when some primary schools did ban the character from upcoming Christmas celebrations, the decision was met with unrest, and not just in school playgrounds.

Listen to the full radio report for Deutsche Welle’s Inside Europe

Also listen to the full interview with Sinterklaas-activist Quinsy Gario

 

20 jaar na Srebrenica

aferasrebrenica

Gepubliceerd bij De Correspondent, 11 juli 2015

Lees ook mijn interview met de burgemeester van Srebrenica bij One World

Beluister ook de radioreportage voor VPRO Bureau Buitenland op 16 juni 2015

Listen to the full radio report for Deutsche Welle English, Pulse on 14 July 2015

Twintig jaar geleden liepen de Servisch-Bosnische troepen van Ratko Mladić Srebrenica onder de voet. Een Bosnische moslimenclave die door Nederlandse VN-troepen beveiligd moest worden. Ik bezocht de stad vlak voor de twintigste herdenking van de genocide. Mensen willen er niet langer blijven hangen in het verleden, maar dat is – zelfs twintig jaar na de genocide – niet gemakkelijk.

Als we elkaar voor het eerst ontmoeten, op een terras langs de bergwand aan de zuidkant van Srebrenica, lijkt hij achterdochtig. ‘Laten we eerst eten en praten,’ schreef hij eerder in een bericht op Facebook, ‘dan zien we wel of dat interview er komt.’ De toon is gezet. De 31-jarige zanger en gitarist Muamer Čivić uit Srebrenica wil eerst weten wat voor vlees hij in de kuip heeft.

Al jaren wordt Čivić geconfronteerd met journalisten die eens per jaar naar Srebrenica afreizen. Altijd willen ze weten waar hij was tijdens de oorlog. Hoe hij zich voelt als hij een Serviër tegenkomt. ‘Sommige mensen hier kunnen niet stoppen met over de oorlog praten,’ zegt hij. ‘Maar de meesten van ons zijn het zat om steeds opnieuw dezelfde vragen te beantwoorden.’

Muamer Čivić wil het liever over muziek hebben. Over zijn band Afera, een rockband die bestaat uit twee Bosnische moslims (hierna Bosniakken genoemd) en twee Bosnische Serviërs (hierna Serviërs genoemd). Čivić noemt het ‘toevallig’ dat hij als Bosniak in een band zit met twee Serviërs, voor de buitenwereld is het een unicum. Hun eerste optreden in september vorig jaar haalde alle Bosnische kranten. Want Bosniakken en Serviërs die iets samen doen, dat is nog steeds nieuws. Vooral in Srebrenica.

Later die dag ben ik bij hun optreden op een bijeenkomst van motorrijders uit verschillende steden in Bosnië. ‘Dit is ook Srebrenica!’ schreeuwt Čivić vanaf het podium.

Hier gaat het niet over wie wat heeft gedaan in de oorlog. Niet over de genocide, niet over de jaarlijkse herdenking en begrafenis op 11 juli. Hier staan Bosniakken en Serviërs samen op het podium, hier draait het om de stampende rock.

Gitarist en leadzanger Čivić was elf jaar toen de Bosnisch-Servische troepen van generaalRatko Mladić Srebrenica onder de voet liepen. Zie voor meer uitleg over die inname deze recente documentaire: ‘Waarom Srebrenica moest vallen.’Met zijn moeder vluchtte hij naar Tuzla, een toen voor Bosniakken veilige stad. In de jaren erna groeide de jonge Čivić op in Tuzla en Sarajevo, maar zijn moeder had heimwee naar Srebrenica. In 2009 besloten ze terug te gaan.

‘Ik wilde terugkomen. Iets maken van deze plek,’ zegt Čivić, als hij na afloop van het concert heeft besloten dat hij wel wil praten, maar alleen over nu en de toekomst. ‘We hebben nu andere problemen,’ zegt hij. ‘Grote problemen. En daar wordt nauwelijks over gesproken.’

Toen in november 1995 de Daytonakkoorden werden gesloten, kwam er een langverwacht einde aan de Bosnische burgeroorlog. Bosnië werd opgedeeld in de Bosniak-Kroatische Federatie en de Servische Republiek. De voormalige moslimenclave Srebrenica kwam midden in de Servische Republiek te liggen, onder Bosnisch-Servisch bestuur.

Srebrenica werd toen vooral bewoond door Bosnische Serviërs. Sommigen woonden er al, anderen verhuisden later naar sinds de oorlog leegstaande huizen. Pas rond het jaar 2001 begonnen de Bosniakken – net als Čivić -, met hulp van de internationale gemeenschap, terug te keren. Langzaamaan ging Srebrenica weer lijken op de etnisch gemengde stad, die zij voor de oorlog was, met zowel Bosniakken als Bosnische Serviërs.

Srebrenica komt één dag per jaar tot leven

Een van de eerste families die terugkeerden, was de familie van Avdo Purković (35). Hij is nu eigenaar van een klein pension in Srebrenica. Zijn vader kreeg het familiehuis, waar een Servische familie in was gaan wonen, na een lange juridische strijd terug. ‘Het was moeilijk toen, die begintijd,’ zegt Purković. ‘Overal woonden Serviërs, van sommigen was bekend dat ze aan de genocide hadden deelgenomen.’ Inmiddels bestaat Srebrenica naar schatting voor de helft uit Bosniakken en voor de helft uit Serviërs.

 

Juli is de meest beladen maand van het jaar. Niet alleen vanwege de pijnlijke herinneringen aan de oorlog, aan de familieleden die hij verloor bij de genocide. Ook omdat hij die ene dag in het jaar overuren draait in zijn pension met restaurant. Er worden dit jaar 50.000 gasten uit binnen- en buitenland verwacht voor de twintigste herdenking van de genocide. En Srebrenica heeft maar drie hotels.

Dat is inderdaad goed voor de kassa, zegt Purković. Maar het maakt Avdo Purković eerder cynisch en boos. ‘Srebrenica is een dode stad die nog steeds maar één dag per jaar tot leven komt. Dat is tragisch. We leven van 11 juli tot 11 juli,’ zegt hij emotioneel. ‘Twintig jaar al zien we politici komen en gaan op 11 juli. In het begin waren we dankbaar voor hun komst. Maar twintig jaar is te lang om alleen je medeleven te komen betuigen. Hoelang moet ik hier blijven wachten tot er iets verandert in deze stad?’

Waar zijn de miljoenen hulpgeld gebleven?

Ondanks alle miljoenen aan hulpgeld die in de afgelopen twintig jaar in Srebrenica zijn gestoken, waarvan het meeste afkomstig uit Nederland (in totaal 130 miljoen euro), ligt de lokale economie volkomen op zijn gat. Ruim de helft van de inwoners van Srebrenica is werkloos. Wie door de slingerende hoofdstraat wandelt, vraagt zich af wat er met die miljoenen is gebeurd. Het ene na het andere huis staat op instorten, nog altijd als gevolg van beschietingen in de jaren negentig.

In 2013 deed het televisieprogramma Brandpunt (Kijk hier de uitzending van Brandpunt terugonderzoek naar het Nederlandse hulpgeld voor Srebrenica. Toen bleek dat ieder jaar nog 5 miljoen euro naar Srebrenica gaat, maar grote bedragen verdwijnen door bureaucratie of corruptie in grote internationale organisaties zoals Care International en UNDP.

 

Verder wordt Nederlands hulpgeld, inmiddels meer dan 130 miljoen in totaal, besteed aan het opsporen en onderzoeken van stoffelijke overschotten, het herdenkingscentrum in Potočari en naar organisaties die zich bezighouden met zaken als rouwverwerking en verzoening tussen Bosniakken en Serviërs.

‘Het is een schande dat een stad die zo heeft geleden er nog steeds uit moet zien alsof het 1995 is,’ zegt burgemeester Ćamil Duraković. ‘ Dit terwijl er zo veel geld van buitenaf naar Srebrenica is gegaan.’

De gemeente Srebrenica wordt inmiddels gerund door Bosniakken én Serviërs. Als de burgemeester een Bosniak is, moet de vice-burgemeester een Serviër zijn. Kinderen van Bosniakken en Serviërs gaan gezamenlijk naar school. De nieuwe generatie kan best met elkaar samenleven. ‘Zo’n band als Afera is een geweldig voorbeeld. We hebben ook een multi-etnisch voetbalteam. Zo proberen we deze samenleving op te bouwen,’ zegt hij.

Duraković wordt fel als het over de hulpgelden uit landen als Nederland gaat. ‘Als je het mij als burgemeester vraagt, dan hoeft er geen geld naar rondetafelgesprekken en de multi-etnische dialoog,’ roept hij. ‘We zitten niet te wachten op een buitenstaander in driedelig pak die ons komt vertellen hoe we moeten samenleven. Wij hebben duizenden jaren prima met elkaar samengeleefd. Wij kunnen Brussel beter lesgeven in met elkaar samenleven.’

Er zijn grotere problemen. ‘We zitten economisch aan de grond. Als je het mij als burgemeester vraagt: het enige wat wij hier nodig hebben zijn banen.’

We wandelen door de bergen vlak buiten Srebrenica. Zanger Muamer Čivić is een natuurliefhebber en wandelt hier iedere ochtend een paar kilometer. Het water klettert zo hard op de rotsen, dat we moeten schreeuwen om elkaar te kunnen verstaan.

 

De gemeente Srebrenica had voor de oorlog een bloeiende economie. Het was, en is, rijk aan grondstoffen als lood, zink en aluminium. Daarnaast was het een populaire vakantiebestemming voor mensen uit heel Joegoslavië. Er was een spa waar toeristen naartoe kwamen. Het zogenoemde geneeskrachtige ‘Guber’-water dat uit de bergen naar beneden stroomt was legendarisch toen Srebrenica nog onderdeel van Joegoslavië was.

Menig inwoner van Srebrenica zal je dan ook vertellen dat de Romeinen, de Ottomanen en de Oostenrijkers zwoeren bij het mineraalwater. Čivić kijkt om zich heen: ‘We hebben iets dat niemand in de wereld heeft en we doen er niets mee,’ zegt hij. ‘Het is absurd.’

‘Onze grondstoffen worden door Banja Luka [de hoofdstad van de Servische Republiek, MN] in de greep gehouden,’ legt burgemeester Duraković uit. Zo is er een investeerder die dolgraag wil beginnen met het bouwen van een nieuwe spa, vertelt Duraković. ‘Maar die investeerder wordt tegengewerkt door het ministerie in Banja Luka,’ zucht hij terwijl hij een sigaret opsteekt. ‘We lopen tegen een Servische muur op.’ Grondstoffen zijn een etnische aangelegenheid, dus bepalen de Serviërs wat er gebeurt met de mineralen en het hout van Srebrenica.

De toekomst is taboe

Terug in de stad zijn we uitgenodigd bij Afera’s frontman Muamer Čivić thuis, waar zijn moeder koffie heeft gezet. De band bestond eerst uit vier Bosniakken, vertelt hij. Toen twee van zijn maatjes uit de band stapten, zocht hij vervanging. ‘Ik zocht de beste muzikanten en dat waren Rade en Miroslav.’

‘Ik ben een orthodox-christelijke Serviër,’ zegt Rade Marković, toetsenist. ‘En Muamer is een moslim. Ik ga naar de kerk, hij naar de moskee. En toch zijn we vrienden. Zo was het in Srebrenica voor de oorlog ook. We hebben geen problemen met elkaar.’

De andere bandleden beginnen te lachen, ze vinden hem een romanticus. ‘Rock-’n-roll,’ gaat Rade verder, ‘rock -‘n-roll is voor alle mensen ter wereld hetzelfde.’

Čivić hoort zijn Servische vriend spreken en knikt. Hij heeft geen zin om weer op die etnische verschillen in te gaan en begint gitaar te spelen.

Eén ding wil hij er nog wel over kwijt: ‘De hele wereld ziet ons als getuigen van die oorlog. Maar ik ben geen getuige, ik ben een gitarist. En ik wil een leven opbouwen in mijn stad. En dat is verdomde moeilijk. Want het is alleen maar oorlog, oorlog, oorlog.’

Hij slaakt een diepe zucht terwijl hij zijn gitaarkoffer inpakt. ‘Wij moeten hier in het verleden leven. Dát is Bosnië, dát is Srebrenica. De toekomst is taboe.’

Radiorepo: Onrust in Macedonie/Unrest in Macedonia

macedonieprotest

Het is al weken onrustig in Macedonië, waar tienduizenden demonstreren tegen corruptie en machtsmisbruik door de regering van Nikola Gruevski. Anderhalve week geleden vielen 22 doden bij een politieactie tegen vermeende Albanese nationalisten. Loopt het land kans op een explosief etnisch conflict? Een reportage van correspondent Mitra Nazar.

Beluister hier de hele radioreportage voor VPRO Bureau Buitenland op 20 mei 2015

About a quarter of the population of Macedonia is ethnic Albanian. Earlier this month, there was a shootout in the city of Kumanovo between police and alleged ethnic Albanian terrorists. Mitra Nazar travelled to Kumanovo to find out whether ethnic tensions are indeed on the rise between the two communities.

Listen to the full radio report in English at Deutsche Welle’s Inside Europe

De hemelbestormers uit de Himalaya

bhutanmagic

Gepubliceerd in Nieuwe Revu, 15 april 2015

Ze fungeerden jarenlang als kanonnenvlees. Het nationale voetbalelftal van Bhutan stond niet voor niets laatste op de FIFA-ranking. Maar sinds de glorieuze zeges op Sri Lanka is alles anders. Nieuwe Revu was erbij.

Woensdag 12 maart, de dag van de eerste wedstrijd.

Bedaard wandelt bondscoach Chokey Nima door het gangpad van de spelersbus. Zwijgend telt hij de koppen, als was hij een schoolmeester voor aanvang van een schoolreis. Twee spelers sprinten nog vlug de bus in, ze dragen elk een six-pack met waterflessen op hun schouders. Het is rond het middaguur, het heetste moment van de dag moet nog komen. De coach keert terug naar zijn stoel, voorin de bus, en sommeert de chauffeur de motor te starten.

Het is 12 maart, het piepjonge nationale elftal van Bhutan is onderweg van het hotel waar ze twee dagen eerder aankwamen, naar het Sugathadasa voetbalstadion aan de andere kant van de Sri Lankaanse hoofdstad Colombo. Twee motoragenten rijden voor de bus uit, slalommend door Colombo’s verkeersslagader Galle Road. ‘We hebben politiebegeleiding, zie je dat?’ fluistert teamcaptain Karma Shedrup Tshering (24) achterin de bus. Hij verbergt zijn ogen achter een zwarte zonnebril en hangt wat achterover in zijn stoel. ‘Best gaaf toch.’ We tellen ruim twee uur voor de aftrap van de wedstrijd Sri Lanka tegen Bhutan. Het is nog geen jaar geleden sinds het einde van het WK2014 in Brazilië. Maar vandaag beginnen de eerste kwalificaties voor het volgende wereldkampioenschap alweer: het WK2018 in Rusland. Het zijn de eerste voorrondes met de kleinste en onbeduidendste landjes, ver weg van de glamour, de miljonairs en de sterrenstatus waar de internationale voetbalwereld van doordrenkt is. Met landen als Pakistan, Oost-Timor, India en Mongolië. De laagvliegers in Azië, nietszeggende voetbalnaties die alleen maar dromen van kwalificatie voor een wereldkampioenschap. De underdogs van het internationale voetbal.

Terwijl de chauffeur de touringcar door het drukke verkeer manoeuvreert, is het muisstil in de spelersbus. Een van de spelers zit rechtop met zijn ogen dicht en zijn handpalmen tegen elkaar geduwd te bidden. Een ander heeft ook zijn ogen dicht, maar luistert via zijn mp3-speler naar het album van de band One Direction. Meer dan de helft van de Bhutanese spelers was niet eerder buiten Bhutan geweest, sommigen moesten speciaal voor deze reis een paspoort aanvragen. ‘We gaan hoe dan ook geschiedenis schrijven,’ glimlacht aanvoerder Karma. ‘We zijn dan misschien de underdogs, maar omdat we niks te verliezen hebben vechten we met alles wat we hebben.’

Als je op de wereldranglijst van de FIFA helemaal naar beneden scrolt, onder de Kaaimaneilanden (205), Djibouti (206), Cookeilanden (207) en Anguilla (208), kom je Bhutan pas tegen. Moederziel alleen onderaan, nummertje 209 van de 209. Als je naar de statistieken kijkt zou Bhutan het slechtste voetballand ter wereld moeten zijn. In de hele geschiedenis won het maar drie oefeninterlands, op het dieptepunt verloor het eens een wedstrijd met 20-0 (tegen Koeweit in 2000). Maar echt veel heeft Bhutan niet laten zien in de afgelopen jaren. Nooit eerder gaf Bhutan zich op voor WK-kwalificatierondes. Maar dit jaar stelde FIFA via een fonds 300.000 dollar beschikbaar voor kleine voetballanden, en greep Bhutan zijn kans.

Een dag eerder in het Sugathadasa voetbalstadion in Colombo.

Bondscoach Nikola Kavazovic van Sri Lanka staat zelfverzekerd op het veld. Zijn jongens trainen rustig aan vandaag, een dag voor de wedstrijd. Een van de spelers viert zijn verjaardag en wordt na de training door medespelers bedolven onder een stroom slagroom.

Kavazovic oogt relaxed. ‘Ik weet maar weinig van Bhutan,’ geeft hij toe, als hij even het veld afkomt en in de schaduw van de dug-out gaat staan. ‘Alleen dat het een jong en onervaren team is, een team dat we aan moeten kunnen.’

Sri Lanka, een eiland van twintig miljoen inwoners gelegen ten zuidoosten van India, moet het niet hebben van het voetbal. De voormalige Britse kolonie is, net als buurland India, verzot op een andere sport: cricket. Terwijl Kavazovic zijn team klaarstoomt voor de eerste kwalificatiewedstrijd zit de rest van het land dan ook voor de tv naar het WK cricket te kijken. Taxichauffeurs hebben geen benul waar het voetbalstadion is, maar rijden je blind naar alle kleine tot grote cricketvelden. Op straat spelen kinderen geen voetbal, maar cricket met zelfgemaakte cricketbatjes en kleine balletjes.

Langs de lijn loopt teammanager Emmanuelle Balendra nerveus heen en weer. Strak in driedelig pak is hij de enige op het veld die geen zweet op zijn voorhoofd heeft staan. Niet letterlijk tenminste. Figuurlijk des te meer want Balendra is bezig met het reisschema. Over een kleine week is de return in Bhutans hoofdstad Thimphu. Bhutan is moeilijk te bereiken, er zijn geen directe vluchten. ‘We hebben twee opties met acht uur overstaptijd,’ vertelt hij, lichtelijk overspannen. ‘Ik moet het hem nog vertellen. De coach maakt me af. Hij wil niet dat zijn spelers langer dan een uur vastzitten op een vliegveld.’ Balendra had reden om bang te zijn voor een heftige reactie van Kavazovic op het slopende reisschema. Een uitbarsting na een verloren vriendschappelijke wedstrijd in Bangladesh vorig jaar oktober staat hem nog scherp voor de geest. Kavazovic barstte volgens de krant Dhaka Tribune tijdens een persconferentie na de wedstrijd uit ‘als een vulkaan’, laaiend als hij was op de scheidsrechters die volgens hem partijdig waren. Dit is wat hij volgens de lokale krant zei: ‘Dit is een boodschap voor alle jongens en meisjes in de wereld: kids, stop met voetballen. Ga een andere sport doen. Want in voetbal zijn het corrupte, gemene en domme mensen die je toekomst bepalen,’ waarop hij woest de conferentiezaal verliet.

Kavazovic begint te lachen als hij terugdenkt aan die persconferentie. ‘Wat kan ik zeggen? Ik ben Slavisch, dat is hoe wij zijn. Emotionele mensen.’

Voetbal op dit niveau heeft weinig te maken met glamour, luxe resorts en chartervluchten.

In een simpel hotel vlak buiten het centrum van Colombo is het Bhutanese nationale team om twee uur ’s nachts aangekomen. De volgende ochtend bij het ontbijt is aanvoerder Karma Shedrup Tshering de enige die al wakker is. ‘Ik ben gewend aan gekke tijden,’ zegt hij terwijl hij de kamer laat zien waar twee medespelers nog liggen te slapen. Karma werkt vaak onregelmatige shifts. Hij is naast aanvoerder van het nationale team namelijk ook piloot voor de Bhutanese nationale vliegmaatschappij. Opgeleid in Australië is hij met 24 jaar de jongste vlieger tussen zijn collega’s. Spelers voor het nationale elftal krijgen omgerekend honderd euro per maand van de Bhutanese voetbalfederatie, maar dat is niet genoeg. ‘In Bhutan kun je niet leven van voetbal,’ zegt Karma nuchter. Dus hebben alle spelers een gewone baan of ze studeren nog.

Bhutan was tot de jaren zeventig van de vorige eeuw afgesloten van de rest van de wereld. Het Boeddhistische koninkrijk, hoog in de Himalaya ingeklemd tussen India, Nepal en China, werd pas in 2008 een parlementaire democratie toen de huidige koning het tijd vond om de modernisering binnen te laten. De meeste Bhutanezen leven nog steeds strikt volgens traditionele Boeddhistische regels en het koningshuis is onnavolgbaar populair, maar de tijden zijn veranderd. Teammanager Hishey Tshering, toevallig ook de oom van aanvoerder Karma, komt erbij zitten in de hotellobby. Hij begint te vertellen over hoe het vroeger was. ‘We hebben het altijd over een tijd voor, en een tijd na de komst van de televisie,’ zegt Tshering. Televisie was strikt verboden tot 1998, een poging van het koningshuis om westerse invloeden buiten de deur te houden. ‘Velen van ons hadden nog nooit een trainingspak gezien, laat staan gedragen,’ gaat hij lachend verder. Alle Bhutanezen liepen in die tijd verplicht in traditionele klederdracht, ook sporters. ‘We grapten met elkaar over hoe we eruit zouden zien in een trainingspak.’

Hishey was keeper en droomde van een internationale carrière, maar die kwam er nooit. In plaats daarvan begon hij zijn eigen reisbureau voor vogelspotters. En in zijn vrije tijd werpt hij zich nu op als manager van het nationale voetbalteam. Bondscoach Chokey Nima (45) komt de hotellobby binnen. Twaalf jaar lang speelde hij zelf voor het Bhutanese nationale team, van 1989 tot 2001. Tot 1998 had hij nog nooit een live wedstrijd op TV gezien. ‘We keken soms videobanden van WK-wedstrijden, die werden binnengesmokkeld via India,’ vertelt hij, licht glimlachend. ‘We hadden geen techniek, speelden alleen op fysieke training.’ Er is één wedstrijd waarvoor Chokey Nima het invoeren van de televisie graag weer even had teruggedraaid. Dat is de pijnlijke 20-0 tegen Koeweit in 2000, een van de eerste interlands van Bhutan. ‘Dat is een wedstrijd die we nooit zullen vergeten. Vanaf daar is het alleen maar beter gegaan met het Bhutanese voetbal.’

Aanvoerder Karma heeft andere besognes. Tussen de trainingen door moet hij nog van een vliegdienst af zien te komen. ‘Ik sta nog op het rooster voor een vlucht naar Singapore,’ zegt de jonge, charmante piloot. ‘Een dag voor de return wedstrijd in Thimphu.’ In theorie kan hij het redden, berekent hij vlug. Maar dat zou betekenen dat hij een nacht slaap moet missen. ‘Ik hoop dat mijn baas me nog van die shift af kan halen.’ Manager Hishey Tshering begint te lachen. ‘We kunnen niet allemaal profvoetballer en piloot zijn.’

Terug in het stadion, op de dag van de wedstrijd.

In het Sugathadasa stadion zijn inmiddels wat toeschouwers binnengedruppeld. Het zijn hooguit tweehonderd mensen waarvan ongeveer de helft bestaat uit in Sri Lanka woonachtige Bhutanese uitwisselingsstudenten. Ze zijn opgetrommeld door de Bhutanese voetbalfederatie om hun team aan te komen moedigen. Er is op hetzelfde moment een belangrijke cricketwedstrijd gaande tussen twee Sri Lankaanse hogescholen in een uitverkocht stadion een paar kilometer verderop.

Minuten voordat de wedstrijd begint, stormt Hishey Tshering plots de persruimte naast de tribune binnen. ‘Ik wil jullie even laten weten dat in dit land alleen de pers airconditioning krijgt,’ roept hij. De kleedkamer waar het Bhutanese team is ondergebracht, blijkt in deplorabele conditie. Er komt geen water uit de kraan en er staan twee oude ventilatoren die het beide niet doen. Tshering is woest. ‘Wacht maar tot ze bij ons in Bhutan zijn,’ roept hij bij het verlaten van de persruimte. ‘We zullen ze laten bevriezen!’ Het is 34 graden Celsius, de zon staat midden op het veld en de teams komen uit de kleedkamers om zich op te stellen voor de volksliederen. Coach Chokey Nima omhelst een voor een al zijn spelers. Nikola Kavazovic staat met zijn armen over elkaar in de dug-out. Het fluitsignaal klinkt.

Vrijwel niemand gaf het kleine Himalaya-staatje enige kans tegen Sri Lanka – ook niet ’s werelds beste team. Maar het Bhutan dat hier staat, lijkt in niks op wat het ‘slechtste team ter wereld’ zou moeten voorstellen. De verwachte massaslachting à la Koeweit 2001 blijft uit. De hitte, het grote wapen dat Sri Lanka in handen heeft, blijkt de Bhutanezen tijdens de eerste helft weinig te doen. Bhutan valt zelfs een aantal keer gevaarlijk aan. Sri Lanka blijft achter. Na de rust loopt de spanning op, het blijft lang een gelijke strijd om de winst. Totdat de 21-jarige middenvelder Dorji Tshering z’n elftal naar een historische dag sprint en schiet. Zes minuten voor tijd verdwijnt de bal keurig in het Sri Lankese doel. Het is de eerste winst voor ’s werelds slechtste voetbalteam tijdens hun eerste WK-kwalificatiewedstrijd ooit. Terwijl de brave Bhutanese medicijnstudenten feestvieren op de tribune rent de hele staf gillend en dansend het veld op.

‘We zijn hier gekomen en we hebben laten zien dat we kunnen voetballen,’ schreeuwt een hese teamcaptain Karma. Zweetdruppels gutsen van zijn gezicht. ‘We kwamen hier als underdogs, weet je,’ gaat hij half buiten adem verder. ‘We wisten dat we moesten scoren. We hadden één kans. En we hebben het gedaan!’

Terwijl Sri Lanka ontroostbaar in de dug-out zit bij te komen van wat ze zojuist is overkomen, moet Nikola Kavazovic zich vertonen in de inmiddels halflege persruimte voor een verplichte persconferentie. ‘Het is vernederend, ja,’ zegt hij geïrriteerd. ‘Verliezen van het slechtste team ter wereld.’ Coach Chokey Nima laat zijn jonge pupillen even uitrazen, maar zet ze dan snel met beide benen terug op de grond. ‘Dit is een geweldige prestatie,’ zegt hij voordat de bus terug naar het hotel rijdt. ‘Maar we zijn er nog niet.’ Als een wijze Boeddhist spreekt hij de jongens toe: ‘Als je eenmaal succes hebt gehad, blijft het een uitdaging om dat succes te behouden.’ Nog vijf dagen en ruim 3700 kilometer te gaan tot de returnwedstrijd in Bhutans hoofdstad Thimphu.

Bhutan, de return

Het vliegveld van Paro in Bhutan wordt beschouwd als de gevaarlijkste luchthaven ter wereld. Piloten moeten speciaal worden getraind om hier te kunnen landen en er is maar een handjevol dat het onder de knie heeft. De landingsbaan is namelijk ingesloten in het Himalaya-gebergte en extreem kort. Bhutan-aanvoerder Karma Shedrup Tshering is een van die piloten. Op het laatste moment heeft hij zijn vliegdienst kunnen ruilen en zit hij met zijn teamgenoten gewoon als passagier op de vlucht van Bangkok -overstapplek vanuit Sri Lanka – terug naar Bhutan waar ze zich gaan opmaken voor de allesbepalende returnwedstrijd. Thuis dit keer, voor volk en vaderland.

Door het raampje kijkt hij mee hoe zijn collega de landing inzet en langzaam tussen de bergwanden door manoeuvreert. ‘We mogen hier alleen visueel vliegen, dat betekent alleen bij daglicht en als het helder genoeg is,’ legt Karma uit. Tussen de hoge bergwanden wordt de landingsbaan langzaam zichtbaar. Het lijkt bijna onmogelijk om hier schadevrij een vliegtuig aan de grond te zetten. Maar de piloot laveert het toestel moeiteloos tussen de adembenemende bergen door. Bij de douane op het vliegveld verloopt het chaotisch. Bijna alle spelers hebben tijdens de overstap in Thailand flatscreen televisies gekocht en die moeten allemaal in- en uitgeladen worden. Want hoewel de tv inmiddels al vijftien jaar is toegestaan, heeft nog lang niet ieder huishouden een toestel, laat staan een hypermoderne flatscreen. De importkosten zijn torenhoog in het afgelegen en moeilijk te bereiken land, dus grijpt ieder zijn kans zodra hij in het buitenland is.

Als alle flatscreens en sporttassen door de douane zijn, komt het team gezamenlijk door de schuifdeuren naar buiten. Een groepje bedeesde studenten in traditionele Bhutanese kledij wacht ze op en houdt spandoeken in de lucht. De jongens glunderen van trots. In de bus naar de hoofdstad wordt Bhutanese rapmuziek gedraaid. Langs de weg hangen om de paar meter gekleurde gebedsvlaggetjes. Bhutan is een klein en trots berglandje met maar 750.000 inwoners. Het Boeddhisme staat aan de basis van de samenleving. Het land staat vol met afbeeldingen van Boeddha, met als hoogtepunt het ‘grootste zittende Boeddha-beeld ter wereld’ dat vanuit de bergen boven Thimphu waakt over de stad. Gemaakt van brons, gegoten in goud. De enigen die vaker zijn afgebeeld dan Boeddha, zijn de koning en de koningin. Hun portret siert winkelruiten, restaurants, kloosters en bungelt zelfs aan autospiegels in taxi’s. Een levensgroot kleurrijk fotoportret van het jonge echtpaar is zelfs het eerste dat je ziet bij aankomst op Paro airport. Een dag voor de wedstrijd komt het team weer bij elkaar, maar dit keer niet op een voetbalveld. En ook niet in sportkleding. De eerste die de bus uitkomt is coach Chokey Nima. Hij is gekleed in een kho, een soort kimono overslag-jas die tot de knieën rijkt. Alleen aan de blote benen en sportschoenen eronder is hij nog te herkennen als bondscoach. ‘Anders hè,’ grinnikt hij. ‘Dit is onze traditionele kleding.’ Op kantoor, bij officiële evenementen, in regeringsgebouwen en in kloosters is de klederdracht verplicht. Iedere Bhutanees heeft een paar van die traditionele outfits in de kast liggen. Het hele team moet vandaag in klederdracht komen, want de reis gaat naar een klooster in de bergen. Karma trekt zijn Bhutanese overjas recht en springt in de bus. ‘We gaan de goden even wat boterlampen offeren, bidden voor onze veiligheid, vragen om geluk voor de wedstrijd en dat soort zaken, je weet wel.’ Karma is zelf niet zo gelovig, maar voor sommige teamgenoten is het belangrijk, legt hij uit. ‘En,’ zegt Karma nuchter, ‘of die goden nou wel of niet bestaan, het helpt voor de teamspirit.’

Het laatste stuk naar het kleurige kloostertje moet gelopen worden. Drie monniken wachten het voltallige nationale voetbalteam op. Dan blijkt dat een paar spelers zich toch niet aan de juiste kledingvoorschriften hebben gehouden. Ze wonen ver van de hoofdstad en hadden geen tijd om hun kostuums nog op te halen. De monniken zijn meedogenloos. In trainingspak mag je niet bij de goden. Ook de sportschoenen die iedereen draagt, moeten uit voor het betreden van het godshuis. Om toch allemaal te kunnen bidden, wisselen de spelers onderling hun kho-jurken met elkaar. ‘Het heeft een psychologisch effect,’ zegt Dendrup Tshering (20), de spits die net klaar is met het voortgezet onderwijs en droomt van een professionele voetbalcarrière. ‘We hebben de goden gevraagd om een goed eind van deze kwalificatiewedstrijden,’ zegt hij serieus, in de bus terug. ‘We hebben het nodig om morgen weer te kunnen winnen.’

Was de hitte een week geleden het wapen van Sri Lanka, Bhutan hoeft weinig te doen om het tegenstanders moeilijk te maken. Thimphu is met 2648 meter de op drie na hoogste hoofdstad ter wereld, na La Paz (Bolivia) en Quito (Ecuador). In het Zuid-Amerikaanse voetbal is bekend dat elk team dat in La Paz speelt, keihard wordt vernederd door de thuisploeg die gewend is aan de extreme hoogte. Bhutan kan dit voordeel ook hebben. De lucht is zo ijl, dat een bezoeker de eerste dagen buiten adem raakt van slechts een korte wandeling.

‘Wij hebben nog nergens last van,’ zegt Nikola Kavazovic. Hij staat een sigaret te roken voor het hotel in Thimphu waar hij die ochtend met zijn team is aangekomen. Maar, zoals verwacht, de reis van Colombo naar Thimphu bleek een drama. ‘We hebben drie vluchten moeten nemen, moesten twee keer overstappen en hebben geslapen op van die vliegveldstoelen. Slopend,’ zucht de Servische coach. ‘En nu moeten we snel fit worden. Want we moeten de rotzooi opruimen die we in Colombo hebben gemaakt.’

Net als alle gebouwen in Bhutan, lijkt het Changlimithang Stadion van de buitenkant meer op een klooster of tempel dan op een voetbalstadion. Het uitzicht op de uitgestrekte bergen maakt van een voetbalmatch meer een schouwspel dan een sportwedstrijd. Het hele land loopt uit voor de eerste Bhutanese thuiswedstrijd in jaren en de eerste WK-kwalificatiewedstrijd ooit. Ambtenaren en schoolkinderen krijgen de middag vrij en wie niet naar het stadion kan komen, bekijkt de wedstrijd live op de nationale televisiezender. De entree is gratis, er passen zo’n 30.000 mensen in het stadion, maar een uur voor de aftrap is het al afgeladen vol. Een paar duizend Bhutanezen moeten de wedstrijd buiten het stadion op een scherm bekijken. In het stadion wordt gedanst, gezongen en elke paar minuten wordt onder luid gejoel een wave ingezet. Maar zodra het fluitsignaal klinkt, wordt het stil op de tribune.

Binnen een paar minuten wordt duidelijk dat Sri Lanka het lastig heeft tegen het in de winning mood verkerende Bhutan, thuis met tienduizenden fans op de tribune. De bezoekers houden zich echter staande en halen de rust met 1-1. Maar dan beginnen de hoogte en de lage temperatuur hun tol te eisen en raken de Sri Lankanen vermoeid. Wanneer Chencho Gyeltshen de winnende treffer maakt, vallen de Sri Lankaanse spelers op hun knieën in het kunstgras van het prachtige Boeddhistische Changlimithang stadion. De Bhutanezen zien hier hun droom uitkomen. Ze winnen ook hun tweede WK-kwalificatieduel, de eerste ooit op eigen grond.

Die avond viert Bhutan feest in een restaurant in het centrum van Thimphu. Karma is overdonderd door alle aandacht die hij kreeg na afloop van de wedstrijd. ‘Ik heb gewoon handtekeningen uitgedeeld,’ fluistert hij bescheiden. De charmante 24-jarige piloot is vrijgezel. Maar, ondanks zijn drukke bestaan als profvoetballer en piloot, ziet hij opeens kansen. ‘Misschien,’ zegt hij voorzichtig. ‘Misschien krijg ik hierdoor wel een vriendin.’

Anatomy of an exodus

exodus

Longread for Delayed Gratification #18

James Montague & Mitra Nazar

9th December 2014
Pristina, Republic of Kosovo

Despite the perpetual motion of people passing through it, the Pristina bus station is a grey and dismal place. It looks run-down and dirty, no matter how many times its concrete steps are swept and cleaned.

It’s 11pm, and it’s getting cold. There is one bus left for the night, but the stalls, shops and one cafe still thrum with people. For years the bus to the Serbian capital of Belgrade would leave every evening almost completely empty, passing the border that separates Kosovo and Serbia with just a handful of passengers. Not tonight.

Several hundred people have crowded around the bus to Belgrade. They have packed lightly. There are young families clustered together in fours and fives. Young men – friends – in groups of two and three. Older men travelling alone.

They all have tickets but there are not enough seats to go around and, as the bus leaves, the aisles are full to bursting with standing passengers. It is a six-hour journey to Belgrade, but it only takes an hour to get to the Kosovo-Serbia border.

In the past the bus, with its meagre numbers, would be quickly waved through. But today a Kosovar border guard ushers the coach to one side for an inspection. Everyone is ordered off and their papers are checked. Most are allowed to cross but about a third – a mix of men, women and children – are told they cannot travel any further.

They walk back down the unlit road towards Pristina without argument. Before they begin the long trudge home, they stop a few hundred metres from the border post. Dozens more are waiting there, the remnants from the previous bus. They are unsure of what to do or where to go next.

Those who survived the cull smoke cigarettes before re-boarding the bus. Where are they going? Why are they going? And why now? “I will tell you,” one young man says, looking around to see if he is being overheard. “But not here.” He walks around to the back of the bus, away from the guards, as if about to reveal a shameful secret.

“We are escaping,” he tells me. “First we go to Belgrade. Then we go to Subotica.”

3rd January 2015
The woods outside Subotica, Republic of Serbia

A campfire burns on the floor inside an abandoned brick factory on the outskirts of the northern Serbian city of Subotica. Three young men sit around it. Their clothes are dirty and an icy wind is blowing through the glassless windows. The men are a long way from home. All three of them came here from Afghanistan. They didn’t know each other until a few hours ago.

“First Turkey, then Bulgaria and now Serbia,” says Mahmad, a man in his early twenties, when asked how he reached Subotica. He is the only one of the three who speaks a little bit of English. Mahmad pulls his black hat over his ears against the cold wind. His new friends don’t say a word, but stare silently into the fire. “I came here yesterday,” Mahmad continues. “Tomorrow I will go to Hungary.” (….)

Continue reading on the website of Delayed Gratification

Kosovars turned back from the EU

kosovobus

Within a few months, around 50,000 people have left Kosovo. Thanks to a change in travel restrictions, they’ve headed via Serbia to Hungary, an EU member state and part of the border free Schengen zone. The mass exodus has taken the Kosovan authorities and EU governments by surprise. Many of these would-be emigrants have already been sent home from EU countries. Mitra Nazar reports from Kosovo.

Listen to the full radio report for Deutsche Well English 

Kosovo loopt leeg

54ef656e49bcf3426902259

Het is een koude vrijdagmorgen in februari. We zijn in de Hongaarse gemeente Ásotthalom, aan de landsgrens met Servië. Zoltan trekt zijn donkergroene muts tot over zijn wenkbrauwen. Hij heeft de Lada Niva, waarmee we vanuit het dorp naar de grens zijn gereden, langs de beek geparkeerd. We staan aan de rand van het bos, in een open veld aan een stromende beek die de groene grens tussen Servië en Hongarije markeert.

‘Dit is de plek waar de meesten zijn overgestoken,’ vertelt Zoltan. ‘Je ziet de spullen die ze hebben achtergelaten.’ Aan de oever ligt een kapotte paraplu en wat kledingstukken.

Hier heeft Zoltan de afgelopen twee maanden in totaal, schat hij, wel een paar duizend Kosovaren uit het water zien komen. Maar vandaag is het stil. Aan de overkant zien we in de verte een Servische patrouillewagen wegrijden. ‘De Servische grenspolitie probeert ze nu te pakken,’ verklaart Zoltan. ‘Ze verstoppen zich.’

Lees verder bij De Correspondent