Sluimerend conflict maakt politiewerk in Kosovo lastig

Luister naar de radioreportage bij de Wereldomroep, uitgezonden op 4 januari 2011

Of er dit jaar politiemensen naar Afghanistan worden gestuurd, blijft voorlopig gissen. Intussen worden Nederlandse politieagenten en militairen van de Koninklijke Marechaussee al jaren uitgezonden naar diverse politiemissies in (post-)conflictgebieden. Bijvoorbeeld naar Kosovo.

In zijn donkerblauwe Nederlandse uniform loopt politieagent Riemer Boersma door de straten van Gracanica, een Servische enclave in Kosovo. Normaal gesproken werkt hij op het politiebureau in Leeuwarden. Nu is hij voor een jaar uitgezonden naar het post-conflictgebied op de Balkan, op een Europese missie onder de naam EULEX (EU Rule of Law Mission in Kosovo).

‘Ik ben chief advisor op het politiebureau hier’, vertelt Boersma. ‘Dat betekent dat ik de politiecommandant mentor, monitor en adviseer. MMA noemen wij dat.’

Georganiseerde misdaad
Kees Kuijs is Kolonel bij de Koninklijke Marechaussee. Hij is hoofd van de speciale politieafdeling in Pristina en tevens de hoogste Nederlandse militair in het gebied. Hij vertelt wat de politietaken van de Nederlanders zijn: ‘We staan de Kosovaarse politie bij in het ontwikkelen van hun politieapparaat, zodat het gaat lopen volgens de Europese standaarden.’ De Europese politie loopt niet naast de politieagent op straat, legt hij uit. ‘We adviseren met name in de managementlagen.’

Een belangrijk speerpunt van de EULEX-politie is het aanpakken van georganiseerde misdaad en corruptie in Kosovo. ‘Wat wij corruptie noemen, noemen ze hier vaak gewoon familie’, aldus Kuijs. ‘Dat zit in de cultuur, maar moet je met wortel en tak uitroeien. Dat proberen wij te doen door voorbeelden te stellen, maar ook door educatie.’

Kosovaarse douane
Na de bloedige oorlog in 1999 en de onafhankelijkheidsverklaring in 2008, zijn er nog veel problemen in het jongste land van Europa. Als Kosovo wil toetreden tot de EU, moet het zich aan Europese standaarden conformeren. Maar het sluimerende conflict tussen de Albanezen en de Serviërs maakt dat het erg langzaam gaat.

Het overwegend Servische deel in het noorden van Kosovo is het meest betwiste gebied. ‘Het is één van de politieke angels in het proces van het zelfstandig worden van de republiek Kosovo’, vertelt Kuijs. Hoewel EULEX zich niet bemoeit met de status van het land, ondersteunt het de Kosovaarse instituties wel. Dus wordt de interne grens tussen Servië en Noord-Kosovo door EULEX bewaakt. ‘Dat is simpelweg omdat de Kosovaarse douane niet bij machte is om ook maar één voet in dat gebied te zetten.’

Lastig meten
Koen Heller is marechaussee en werkt op één van de twee betwiste grensposten. ‘Volgens Servië bestaat die grensovergang niet, volgens Kosovo wel’, legt hij uit. En dat maakt het werk daar lastig: ‘Omdat het geen erkende grensovergang is, dan kun je mensen bijna niet verplichten een paspoort te laten zien.’ Bij de twee grensposten in Noord-Kosovo werken ongeveer tien Nederlandse marechaussees.

Kuijs: ‘Implementatie van de Rule of Law in dit weerbarstige gebied met zo’n geschiedenis, en zulke ernstige verschillen tussen de bevolkingsgroepen, maakt de vooruitgang hier erg lastig te meten. We gaan hier kleine stapjes vooruit. Maar het kan altijd beter.’

Het perspectief dat EULEX de Kosovaarse bevolking biedt, is uiteindelijk toetreding tot de Europese Unie. Maar wanneer is moeilijk te zeggen. Zelfs Kuijs tast in het duister: ‘Het kan nog 15 jaar of 25 jaar duren, of misschien wel nooit.’

Advertenties

Leeuwarder politieagent op missie in Kosovo

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 28 december 2010

PRISTINA-

Zo ben je politieagent in Leeuwarden, en zo ben je het in Kosovo. Riemer Boersma (53) ging een grote uitdaging aan. Door de Nederlandse politie is hij voor een jaar uitgezonden op een EU-missie naar Kosovo, het jongste land van Europa dat zich in 2008 afscheidde van Servië.

De Leeuwarder politieagent voelt zich als een vis in het water als hij door de straten van Gracanica, een Servische enclave in Kosovo, loopt. Hij stapt het locale politiebureau binnen. “Hier werk ik nou iedere dag.”

Hij start de computer op en kijkt of er nog nieuws is. Op zijn bureau ligt een stapel rapporten die hij nog moet verwerken. “Ik doe hier eigenlijk hetzelfde werk als ik in Leeuwarden ook deed”.

Boersma wilde altijd al eens naar het buitenland voor zijn werk. “Nu is het er eindelijk van gekomen”, vertelt de Leeuwarder enthousiast terwijl hij een kop koffie drinkt in een Kosovaars café. Na een selectieprocedure vertrok hij in augustus naar Kosovo. Daar loopt hij nu al vijf maanden trots rond in zijn donkerblauwe Nederlandse politie-uniform. Op de achterruit van zijn politiewagen heeft hij een klein Fries vlaggetje geplakt.

Boersma is ‘chief advisor’ in de gemeente Gracanica. Dat houdt in dat hij voor de Europese Unie over de schouders van de plaatselijke politiecommandant meekijkt. Hij adviseert hem in de dagelijkse politietaken: “Dan gaat het om veiligheid op scholen, het verkeer, en diverse managementtaken. Maar ook grote evenementen zoals de verkiezingen begin december. Dan is het mijn taak de inzet van Kosovaarse politie op stembureaus te beoordelen.”

En dat werk bevalt hem heel goed. Boersma woont in de hoofdstad Pristina. Iedere doordeweekse dag rijdt hij in een EU-landrover naar ‘zijn’ bureau in Gracanica, zo’n 10 kilometer verderop.

Op patrouille gaat er altijd een tolk mee. Toen Boersma hoorde dat hij naar Kosovo werd uitgezonden, nam hij zich voor de taal te leren. Dat viel niet mee. “In Pristina spreekt men Albanees, maar in Gracanica is de voertaal Servisch. Dat schiet niet op.” Hij kan inmiddels wel in beide talen gedag zeggen.

Die tweetaligheid ligt ook nog eens gevoelig in Kosovo. Na de Kosovo-oorlog in 1999 werd het land overwegend etnisch Albanees. Maar in een paar gebieden bleven Serviërs wonen, zoals in de enclave Gracanica. Hoewel de oorlog voorbij is, zijn er nog steeds spanningen tussen deze bevolkingsgroepen. Boersma merkt  weinig van die spanningen maar is toch voorzichtig: “Je wilt mensen niet beledigen door ze in de verkeerde taal aan te spreken. En op hun voorhoofd staat niet of ze Serviër of Albanees zijn”, aldus de nuchtere Leeuwarder.

Vijf maanden is Riemer Boersma nu van huis. Leeuwarden heeft hij nog geen moment gemist. “Je bent natuurlijk wel lang bij je familie en vrienden vandaan”. Gelukkig ligt Kosovo niet aan de andere kant van de wereld, dus kwam zijn vriendin in oktober gewoon op bezoek.

Toch mist hij de gezelligheid van thuis zo nu en dan. “Je woont hier toch alleen. Mijn grootste vriend hier is de computer. Via msn heb ik om de dag wel even contact met het thuisfront.”

Met de jaarwisseling gaat Boersma ‘op vakantie’ naar Leeuwarden. Maar met de kerstdagen moet hij gewoon werken in Kosovo. Ook dan hoeft hij Nederland niet al te veel te missen. Met zijn Nederlandse collega’s heeft Boersma een hechte band. “Eerste kerstdag vieren we samen. Met hapjes, drankjes en misschien zelfs wel oud-Hollandse spelletjes.”

Nog steeds Nederlandse militairen in Bosnië

Luister naar de radioreportage bij de Wereldomroep, uitgezonden op 28 december 2010 (onderaan bericht)

Er liggen nog landmijnen en de spanning tussen bevolkingsgroepen is nog niet uit de lucht, maar verder is het in Bosnië, 15 jaar na de burgeroorlog, rustig. Toch lopen nog ruim 1600 buitenlandse troepen rond in het Balkanland, waaronder 85 Nederlandse militairen. Zij werken onder de naoorlogse missie EUFOR, sinds 2004 actief in Bosnië en Herzegovina.

Nu de militaire missie in Uruzgan is afgelopen, is Bosnië – na de marine-operaties tegen de piraterij rond Somalië – de grootste Nederlandse missie van dit moment, met permanent 85 militairen verspreid over het hele land. Het merendeel woont en werkt in LOT-huizen: gewone huizen in wijken tussen de lokale bevolking. LOT staat voor Liaison and Observation Team.

Het LOT-huis in Travnik is een groot pand met zachtroze buitenmuren. Het staat in een wijk vlakbij het centrum van de middelgrote stad in het noorden van Bosnië. Acht Nederlandse militairen bemannen het huis. Iedere dag trekken ze erop uit het gebied in, op patrouille.

Koffie drinken

Ze hebben afspraken met lokale woordvoerders van kleine gemeenten, maar ook met officiële instanties en internationale organisaties in de regio. En soms gaan ze koffie drinken in lokale cafés. Om hun aanwezigheid te tonen en informele gesprekken te voeren.

De voornaamste taak van de militairen is informatie verzamelen over de veiligheidssituatie. Ze rapporteren aan het hoofdkwartier van EUFOR in Sarajevo, en uiteindelijk aan Brussel. Daarnaast functioneren ze als ‘peacekeepers’, wat zoveel inhoudt als zichtbaar zijn om de bevolking een veilig gevoel te geven.

Grote broer
Is dat 15 jaar na de oorlog nog nodig? Volgens Kapitein Piet Koster, die de leiding heeft over LOT-huis Travnik, is dat een lastige vraag. ‘Dat zou je namelijk pas echt weten als je als internationale gemeenschap weg zou gaan’, legt hij uit.

Maar de lokale bevolking is nog altijd blij met de aanwezigheid van de militairen, merkt Koster iedere dag. ‘Ze zijn blij dat er een grote broer, Europa, over de schouders meekijkt. Als de spanningen hier weer oplopen, dan kunnen wij tijdig op de rem trappen.’

Slachting
Travnik lag tijdens de oorlog onder vuur van de Serviërs. Die beschoten de stad vanuit de bergen. Toen het conflict tussen de Kroaten en Bosniaks in Travnik ook uit de hand liep, hoefden de Serviërs alleen nog maar met de armen over elkaar toe te kijken hoe hun rivalen elkaar afslachtten.

Vlak achter het LOT-huis heeft de frontlinie van de Serviërs gelegen. ‘Daarom ligt het hier ook nog zo bezaaid met mijnen’, vertelt Kapitein Koster. De gebieden waar mijnen liggen zijn afgezet met waarschuwingsborden. Er wordt in het hele land al jarenlang gewerkt aan ‘demining’.

Spanning
Volgens Koster is het denkbaar dat de spanningen tussen de bevolkingsgroepen in Bosnië ooit weer zullen escaleren. ‘Er zijn nog steeds nationalistische gevoelens, hoewel die lang niet zo sterk zijn als tijdens de oorlog.’ Bovendien liggen er nog steeds veel wapens en munitie: naar schatting 1 op de 4 huishoudens heeft nog een wapen.