Mostar – divided city, divided loyalties. World Cup 2014

Deutsche Welle English, 20 june 2014

Mostar is a divided city, not least when it comes to football. When Bosnia played its opening match in the current World Cup, only one side of the city was cheering. Because for them, it’s about more than just sports. Mitra Nazar reports from Mostar.

Listen to the radioreport for Deutsche Welle

The beginnings of a Bosnian spring?

Broadcast at Deutsche Welle’s Inside Europe, 13 february 2014

Protests in Bosnia and Herzegovina are ongoing after things kicked off in Tuzla and progressed to government buildings being burnt throughout the country. What started as a small protest turned in to a nationwide outburst at the way the country is being run. It’s the biggest uprising in Bosnia since the war and is already being dubbed the start of a ‘Bosnian Spring’.

Listen to the radio piece here

Babyrevolutie Bosnie verenigt verdeeld volk

Babyrevolutie Metro

Gepubliceerd in Metro, 24 juni 2013

SARAJEVO

De dood van de drie maand oude baby Berima Hamidovic heeft demonstraties in de Bosnische hoofdstad Sarajevo opnieuw doen oplaaien. Vorige week gingen weer tienduizend boze Bosniërs de straat op.

De grootste protestacties sinds de oorlog begonnen begin juni vanwege een politiek dispuut over burgerservicenummers dat grote gevolgen heeft voor pasgeboren baby’s. Sinds februari worden er geen ID-nummers meer uitgegeven waardoor baby’s geen zorgverzekering en reisdocumenten kunnen krijgen. Gevolg van een uit de hand gelopen meningsverschil tussen Bosniak (moslim), Servische en Kroatische parlementsleden over de vraag of burgerregistratie op staatsniveau of lokaal niveau moet gebeuren.

Moeders met kinderwagens omsingelden het parlement waardoor ministers en parlementsleden uren opgesloten zaten. De acties kregen al gauw de bijnaam ‘Babyrevolutie’.

Onderhandelingen over de burgerservicenummers liggen stil, demonstranten zijn voorlopig niet van plan te stoppen met acties. Iedere dag verzamelt een groepje actievoerders zich bij het parlement om te laten zien dat het zo niet verder kan en te praten over verdere acties.

“Het maakt ons niet uit tot welke etnische groep je behoort, parlementariërs moeten het hele volk vertegenwoordigen”, zegt Emir Hodzic, een van de organisatoren. “We eisen simpelweg dat ze hun werk doen”.

Bosnië is sinds 1995 bestuurlijk verdeeld in de drie etnische groepen die elkaar tijdens de oorlog bevochten. De Dayton-akkoorden maakten een einde aan de bloedige gevechten, maar lieten het land verdeeld achter; opgedeeld in een Servische republiek en een Bosnisch-Kroatische Federatie met ieder verregaande zelfstandigheid. Maar besluitvorming op landelijk niveau loopt steevast uit op onenigheid en stagnatie waardoor het land zich traag ontwikkelt.

De ruzie over burgerservicenummers is één van de vele problemen. “Al twintig jaar zitten we met een niet functionerend politiek systeem”, aldus Hodzic. “Maar dit is de druppel. Nu is er een kind gestorven”.

Het is voor het eerst dat mensen van alle etnische groepen samen strijden voor hetzelfde doel. Ze willen een beter leven, naar de toekomst kijken en de etnische strijd achter zich laten. Ze hekelen de nationalistische retoriek die de politieke elite keer op keer gebruikt om het volk verdeeld te houden.

Tien jaar geleden had zo’n opstand nog niet kunnen gebeuren, denkt Hodzic. Daar was de oorlog te vers voor. “Maar mensen realiseren zich nu langzaam dat ze dezelfde problemen hebben en dat etnische verdeeldheid niet de oplossing is”.

Volgens een onlangs uitgebracht rapport van Eurostat is Bosnië het armste land van Europa. Door het politieke gesteggel en gebrek aan vooruitgang staan ook onderhandelingen voor toetreding tot de Europese Unie op een laag pitje.

De demonstranten eisen dat het probleem met burgerservicenummers voor 30 juni is opgelost. “Dit is nog maar het begin”, zegt demonstrant Darko Brkan, van Kroatische afkomst. “Er is iets belangrijks in gang gezet, we stoppen hier niet”.

=======

Emir en Edina Hamidovic, de ouders van baby Berima, geven de staat de schuld van haar dood. Emir Hamidovic:

“Berima werd geboren met een ernstige maagziekte, ze kon niet eten. De operatie kon niet in Bosnië worden gedaan, dus moesten we naar het buitenland, zo snel mogelijk. Toen we bij de politie kwamen om een reisdocument aan te vragen zeiden ze: sorry maar we mogen geen burgerservicenummers meer uitgeven. We waren in shock. Ik zei tegen die ambtenaar: wat moet ik nu doen? Moet ik mijn meisje laten sterven omdat politici het niet eens kunnen worden? Uiteindelijk hebben we haar de grens naar Servië over kunnen smokkelen voor de operatie in Belgrado, maar het was al te laat. De regering is verantwoordelijk voor de dood van mijn dochter. Als ze een burgerservicenummer had gekregen had ze op tijd geopereerd kunnen worden en misschien nog geleefd. Mijn kleine meisje is nu dood. Met demonstreren krijgen we haar niet terug, maar we moeten blijven vechten voor andere kinderen die ook de dupe kunnen worden van deze politieke chaos. Ik wil tegen die politici zeggen: stel je eens voor dat jouw kind dit overkomt. We moeten doorgaan met protesteren.”

Van de oorlog in de drugs

Bosnie Drugs PS Parool scrsh

PS Het Parool, 25 mei 2013

SARAJEVO

Bosnie heeft ruim twintig jaar na de oorlog nog veel problemen. Eén daarvan is een groeiend aantal drugsverslaafden. Direct en indirect als gevolg van de oorlog.

Over de met puin bezaaide vloer schiet een rat weg, traptreden zijn half weggeslagen en muren ingestort. We zijn in één van de vele gebombardeerde gebouwen van Sarajevo die er twee decennia na de oorlog nog steeds als een ruïne bij staan. Nergens hangt een bord ‘verboden toegang’, maar iedereen weet dat je er beter niet naar binnen kunt gaan. Niet alleen vanwege instortingsgevaar, het pand wordt tegenwoordig gebruikt door Sarajevo’s drugsverslaafden.

Hulpverlener Admir Zejcirovic gaat er regelmatig naartoe. “Om naalden op te rapen”, vertelt hij terwijl hij door het verlaten pand loopt. Voorzichtig pakt hij een gebruikte injectienaald van de grond “Zie je, ze liggen overal”. Zejcirovic werkt voor Proi, een non-gouvernementele organisatie die met drugsverslaafden werkt. Naast het verspreiden van schone injectienaalden, biedt de organisatie ook begeleiding en opvang voor (ex)verslaafden en preventie-programma’s voor scholen.

Bosnië en Herzegovina kampt sinds de bloedige burgeroorlog in de jaren negentig met een groeiend drugsprobleem. Officiële statistieken ontbreken, maar hulpverleners zien de aantallen gestaag stijgen. “Niet explosief”, zegt Belma Lepir, projectleider en psychologe bij de Proi. “Maar sinds de oorlog zien we ieder jaar meer zware gebruikers”.

Tijdens de belegering van Sarajevo (1992-1995) nam het drugsgebruik in de stad in korte tijd enorme proporties aan. Als gevolg van bestuurloosheid en chaos ontstond een wildgroei aan illegale handeltjes en oorlogsprofiteurs sloegen hun slag. Door schaarste was er een levendige handel in sigaretten, alcohol, levensmiddelen. Maar ook in allerlei soorten verdovende middelen.

“De meeste heroïneverslaafden van nu hebben tijdens de oorlog hun eerste shot gezet”, zegt Lepir, die dagelijks contact onderhoud met verslaafden die in een behandeltraject zitten. “Ironisch genoeg gebruiken ze in de door diezelfde oorlog vernietigde gebouwen”. Sarajevo staat vol met gebombardeerde flats en kapotgeschoten karkassen van panden. Het zijn verlaten, gevaarlijke plekken waar verslaafden rustig hun gang kunnen gaan.

Ex-verslaafde en veteraan Nenad Marusic kwam tot kort geleden vaak in één van die ruïnes in ‘sniper alley’, de beruchte straat waar door sluipschutters vanuit de bergen op werd geschoten. “Ik was negentien toen ik voor het eerst heroïne gebruikte”, diep in gedachten verzonken gaat hij terug in de tijd.

Het is 1992, de oorlog is net uitgebroken. Net als veel jonge mannen sluit Marusic zich aan bij het Bosnische leger. “We zaten soms dagenlang verscholen in een flatgebouw. Er was angst, stress en verveling”. Marusic, nu 40, vertelt er gelaten over. “We waren jonge jongens, hadden nog niks meegemaakt. Dan ga je drugs gebruiken, zoals iedereen. Om de angst te onderdrukken, om sterker te zijn”. Het begon met marihuana. “Dat was al gauw niet genoeg. Het moest sterker”. In verlaten ziekenhuizen of apotheken en in neergeschoten ambulances vonden Marusic en zijn maten allerlei verdovende middelen. “We stalen medicijnen. Tramadol (sterke pijnstiller, red.), morfine, wat we maar tegen kwamen”. Later kwam de humanitaire hulp, in de militaire pakketten die werden uitgedeeld zat morfine. Er ontstond handel, morfine werd verkocht of geruild voor sigaretten of brood.

“Iedereen gebruikte. Aan het einde van de oorlog was heroïne de populairste drugs”, gaat Marusic verder terwijl hij een sigaret opsteekt. “Het kwam via VN-soldaten binnen. Iedereen wist: voor heroïne moet je bij de Russen zijn, voor hasj bij de Spanjaarden. Zo ging dat”. Dan begint hij te lachen: “We kregen het spul soms mee in ruil voor erotische films op VHS banden die we uit verlaten huizen in de stad haalden. Vooral de Spanjaarden waren daar blij mee”.

Oorlog en drugs hebben in de geschiedenis altijd in pijnlijk verband met elkaar gestaan. In Vietnam gebruikten soldaten heroïne om zichzelf te verdoven. Dezelfde verhalen gaan de ronde over Afghanistan, het land waar opium nota bene in de velden groeit. In Bosnië waren het niet alleen de soldaten die gemakkelijk aan verdovende middelen konden komen. De handel in drugs bereikte alle lagen van de bevolking. En nog steeds laat het zijn sporen na. De wereldwijde drugshandel vond een lucratieve route dwars door de westelijke balkan, waar chaos het eenvoudig maakte voor illegale praktijken. Bosnië werd één van de doorvoerlanden voor drugs onderweg naar west-Europa.

“Indirect brengt de oorlog nog ieder jaar ‘nieuwe verslaafden’ voort”, zegt Lepir met een diepe zucht. “Het zijn stuk voor stuk tragische verhalen”. Bojan Sertic (31) was nog geen tien toen de oorlog voor zijn ogen begon. Een maand later stuurden zijn ouders hem naar een tante op het platteland, ver uit de buurt van het belegerde Sarajevo. “Ik wist een paar jaar lang niet of mijn ouders dood of in leven waren”. Daar ging het mis, zijn tante had geen overwicht en Sertic hing op straat, begon alcohol te drinken en marihuana te roken. Dat werd al snel crack en cocaïne. “Als ik gebruikte voelde ik het soort liefde waar ik naar op zoek was. Alsof er een leegte werd opgevuld”. Toen Sertic na de oorlog hoorde dat zijn ouders nog leefden, ging hij terug naar Sarajevo. Maar met de drugs kon hij niet meer stoppen. “Ik werkte als barman in een club, daar gingen de drugs gewoon over de bar. Dat gebeurt nog steeds”. Het naoorlogse Sarajevo waar de jonge Sertic in terecht kwam was een harde wereld, er was geen ontsnappen aan: “Iedereen in mijn omgeving zat aan de drugs.” Sertic is nu bijna twee jaar clean maar ziet om zich heen nog steeds jonge mensen afglijden door de drugs. Het is veel te gemakkelijk om eraan te komen, legt hij uit: “Eén telefoontje en een ontmoeting in het park en je hebt voor een tientje een gram heroïne”.

In het centrum van Sarajevo zit het ‘Drop-in-Centar’ van Proi, een plek waar verslaafden schone naalden halen en informatie over afkickmogelijkheden krijgen. Voor de deur staan twee mannen druk pratend een sigaret te roken. Een van hen draagt een rugzak. Het is Admir, voorheen hevig verslaafd, tegenwoordig aan de methadon. In de tas zitten pakjes naalden in verschillende maten. “Admir is onze veldwerker”, zegt Belma Lepir. Admir weet waar hij moet zijn, kent veel verslaafden nog persoonlijk. Omdat de meeste verslaafden zich verstoppen, zorgen mensen als Admir dat de schone naalden toch verspreid worden. “Er is veel angst voor de politie”, legt Lepir uit. Zelfs Admir heeft soms moeite de verslaafden te vinden. “Ze zijn bang dat de politie me volgt. Vaak spreek ik een plek af waar ik de zak naalden neerleg, bij een boom in het park bijvoorbeeld, dan komen ze het later zelf ophalen”.

Bosnië krabbelt nog steeds op uit een van de gruwelijkste oorlogen van de moderne tijd. Het heeft daarnaast te kampen met armoede, werkeloosheid en oorlogstrauma’s. Maar ook met een slecht functionerend politieapparaat, een corrupt rechtssysteem en het onvermogen om op politiek niveau eenduidige beslissingen te maken. Het leidt ertoe dat drugsdealers hun gang kunnen gaan en de aanpak van de verslavingsproblematiek nog in de kinderschoenen staat. Proi is één van de weinige organisaties die verslaafden direct benadert en hulp aanbiedt.

Volgens Proi zijn er naar schatting 12.000 zware drugsverslaafden, met name heroïnegebruikers, op een bevolking van nog geen 4 miljoen. Ter vergelijking, Nederland heeft 17.700 heroïneverslaafden op een bevolking van bijna 17 miljoen (bron: Jelinek). Het is nog maar het topje van de ijsberg, zegt Lepir: “Verslaving is een taboe in onze samenleving.” Ze ziet bijvoorbeeld maar weinig vrouwen die hulp zoeken. “Dat is het grootste taboe. Vrouwen gebruiken toch geen drugs, wordt gedacht. Dat is natuurlijk niet waar.” Lepir hoopt binnenkort een speciaal meldpunt voor vrouwen te openen.

Het is de jeugd, de zogenaamde tweede generatie, die Lepir het meest zorgen baart. Veel jongeren verloren ouders tijdens de oorlog, in de meeste gevallen de vader. “Moeders hebben geen controle over hun zoons”, zegt Lepir. “Onze jongeren dragen de oorlogstrauma’s van hun ouders en groeien op zonder enig perspectief voor de toekomst”.

Nenad Marusic is inmiddels clean, maar worstelt nog dagelijks met zijn verslaving die nu plaats heeft gemaakt voor een onverwerkt oorlogstrauma. “Ik heb geleerd te praten”, zegt hij zachtjes. “En ik wil de oorlog niet meer de schuld geven. Want ik heb het zelf gedaan, het is mijn eigen verantwoordelijkheid.”

Kader:

De strijd tegen drugshandel wordt in Bosnië en Herzegovina extreem moeilijk gemaakt door de complexe constructie van de regering. De Dayton-akkoorden die in 1995 een einde maakte aan de langslepende oorlog, deelden Bosnië en Herzegovina op in twee entiteiten met elk verregaande autonomie. De Bosnisch-Kroatische Federatie en de Republiek Srpska. Beide entiteiten hebben hun eigen parlement, president en politiemacht. Door moeizame samenwerking tussen beide regio’s weten criminelen eenvoudig uit handen van de autoriteiten te blijven, simpelweg door zich van de ene naar de andere entiteit te verplaatsen. Bovendien ontbreekt een landelijke aanpak van criminaliteit en drugshandel. Toch heeft het land onlangs bij grote politieactie achttien mensen gearresteerd voor onder andere georganiseerde misdaad en drugssmokkel. Eén van hen is de president van de Bosnisch-Kroatische Federatie Zivko Budimir. 

Noodklok in cultureel Sarajevo

Mona-Lisa-Shurdown_poster_ss

Meer dan 200 musea wereldwijd (waaronder zes Nederlandse) zijn vandaag, maandag 4 maart, solidair met noodlijdende en gesloten musea en culturele instellingen in Sarajevo. Kunststukken worden afgeplakt met geel/zwart tape in het kader van de Day of Museum Solidarity. Hoe komt het dat musea in de Bosnische hoofdstad geen geld hebben om elektriciteit te betalen, laat staan voor personeel en onderhoud? Ik vertelde erover op Radio 1 bij KRO Goedemorgen Nederland. Hier te beluisteren.

Het Bosnische boek van de doden

Gepubliceerd in Het Parool op woensdag 16 januari 2013

Beluister mijn toelichting bij KRO Goedemorgen Nederland op Radio 1

‘Dit zijn onze doden’

SARAJEVO – Mitra Nazar

Vier dikke hardcover pillen liggen op de salontafel in het kantoor van Mirsad Tokaca. Vers van de drukker. “Ik heb ze op de weegschaal gelegd”, zegt hij. “Negen kilo”. Het Bosnische dodenboek telt vierduizend pagina’s met alleen maar namen. “Letterlijk en figuurlijk zware kost”.

IMG_6633

Mirsad Tokaca is de drijvende kracht achter het Research en Documentatie Centrum (RDC), een Bosnische NGO gefinancierd door diverse internationale organisaties en de Europese Unie. Dankzij het 17-koppige RDC-onderzoeksteam ligt er voor het eerst een officiële telling van het aantal slachtoffers als gevolg van de Bosnische oorlog in de jaren negentig. Misschien wel het belangrijkste naoorlogse project in Bosnië. In 2007 publiceerde het RDC de eerste resultaten in een online database. Maandag (21 januari) verschijnen de definitieve resultaten in het boek met de nietsverhullende titel ‘The Bosnian book of the dead’.

Hij glimlacht als hij de boeken optilt, want trots is Tokaca op het langdurige diepgravende onderzoek. Maar bloedserieus wordt hij als ze openslaat. Kolommen met namen komen tevoorschijn; welgeteld 95.940 namen van Bosniërs die de oorlog niet overleefden. Van ieder slachtoffer is naam, geboortedatum en plaats, sterfdatum en plaats, burger of militair en oorzaak van dood genoteerd. “Deze vrouw kwam om in 1992 in Sarajevo, door een scherpschutter”, leest Tokaca, die de belegering van Sarajevo zelf meemaakte, rustig voor. “Hier een kind, zeven jaar oud en geraakt door een granaat”.

Ruim 7000 getuigenverklaringen, 25.000 foto’s van grafstenen, 50.000 geschreven documenten en alle beschikbare informatie van gemeenten en NGO’s vormen de basis. Onderzoeksteams van het RDC zaten tussen 2003 en 2008 verspreid over het hele land. “Het was als een puzzel”, zegt Tokaca, die de teams leidde. “Om een volledig plaatje van iemand te kunnen maken, moet je zoveel mogelijk bronnen combineren.”

Voordat het RDC de resultaten publiek maakte, bestonden er louter schattingen. Schattingen die ver uiteen liepen, van 25.000 tot zelfs 300.000 doden. “Afhankelijk van de politieke agenda”, legt Tokaca uit. Het is dan ook niet gek, vindt hij, dat er vanuit alle windrichtingen op de Balkan kritiek kwam op zijn onderzoek. Bosnische Serviërs beweerden dat hij teveel doden heeft gedocumenteerd, Bosniakken (Bosnische moslims) op hun beurt dat het er te weinig zijn. “Als ze hun kritiek kunnen onderbouwen wil ik best luisteren. Maar niemand heeft bewijs. Niemand heeft namen.” Critici menen bijvoorbeeld dat het aantal kinderen dat als gevolg van de oorlog niet verwekt en geboren zijn, zouden moeten worden meegeteld.

Dat hij zelfs door mensen uit zijn eigen gemeenschap – Tokaca is een Bosniak – wordt bekritiseerd, kan hem weinig schelen. “We moeten geen mythe willen creëren rondom het lijden van ons volk”, zegt hij met vurige ogen. “Alsof 100.000 doden niet genoeg is!”

Hoewel het boek 95.940 namen van doden registreert, houdt Tokaca het aantal op ongeveer 100.000. Een dergelijke telling is vrijwel altijd een minimum, legt hij uit. “We moeten er rekening mee houden dat er slachtoffers zijn waar geen informatie over is. Maar het is onwaarschijnlijk dat er nog 100.000 bij komen. Hooguit een paar honderd.”

IMG_6635

Hoe morbide het ook mag klinken, het tellen van doden na een oorlog is belangrijk. Menig oorlog mondt jaren na dato uit in een strijd om de getallen. De Balkan kent een traditie van het opbieden van aantallen oorlogsslachtoffers. Over de Tweede Wereldoorlog bestaat ruim 70 jaar later nog altijd onduidelijkheid. Voor Tokaca was het een drijfveer: “Toen ik wilde weten wat er met mijn opa is gebeurd, kon ik niks vinden. Zijn naam staat nergens geregistreerd”, vertelt hij geroerd. “Dat mag niet meer gebeuren, zeker niet in de moderne tijd waarin we de middelen hebben om het te doen”.

Het Boek van de doden maakt geen onderscheid in etniciteit of religie. “We hebben simpelweg alle doden geregistreerd”. Het betekent dat Bosnische moslims, Kroaten en Serviërs door elkaar staan. Per gemeente, op alfabetische volgorde. “We moeten ophouden met de termen als ‘mijn slachtoffers, jouw slachtoffers”, zegt de onderzoeker fel. Hij legt zijn hand plechtig op de vier dikke boeken. “Dit zijn onze slachtoffers”.

Het is een dappere benadering in Bosnië waar anno 2013 nog steeds sterke etnische spanningen zijn. Na de oorlog werd het land volgens het Dayton akkoord opgedeeld in twee entiteiten. De Bosnische Federatie, waar Bosniakken en Kroaten deel van uitmaken en de Servische Republiek, waar de Bosnische Serviërs de macht hebben. De segregatie voert door in alle facetten van de samenleving, kinderen van verschillende achtergronden gaan nog altijd niet samen naar school. Elke groep heeft zijn eigen versie van de geschiedenis, het boek is daarom van wezenlijk belang voor de toekomst, benadrukt Tokaca. “Het gaat om ons collectieve geheugen. Dit boek is voor de volgende generatie die moet weten wat er is gebeurd. Niet op basis van politiek gekleurde schattingen, maar op basis van de feiten”. De statistieken van het RDC worden inmiddels als betrouwbaar en objectief aangenomen door de meeste Bosnische instituties, internationale organisaties en de media.

Kader:

Globale resultaten van het RDC onderzoek:

Totaal aantal doden(inclusief vermisten) als gevolg van de oorlog in de jaren negentig: 95.940. Aantal burgers: 38.239. Aantal militairen: 57.701. Waarvan 65% Bosniakken (Bosnische moslims); 26% Bosnische Serviërs en 9% Bosnische Kroaten.

Per etnische groep: Bosniakken: 62.013 (31.107 burgers en 30.906 soldaten); Bosnische Kroaten: 8403 (2484 burgers en 5919 soldaten); Bosnische Serviërs: 24.953 (4178 burgers en 20.775 soldaten); Overig: 571 (470 burgers en 101 soldaten).

‘Een burgemeester die genocide ontkent is onacceptabel’

Gepubliceerd op vrijdag 5 oktober in Het Parool

BELGRADO- Nadja werpt haar handpalmen in de lucht en kijkt omhoog. ‘Allah mag het zeggen’, zegt ze fronsend. De Bosnische moslima werkt in het souvenirwinkeltje bij het genocide-herdenkingscentrum in Potocari. Ze kan alleen maar hopen dat haar burgemeester genoeg stemmen haalt om door te kunnen gaan. ‘Wie zal zeggen wat er gebeurt als we een Servische burgemeester krijgen, misschien sluiten het herdenkingscentrum dan wel.’

Tot op heden was Srebrenica zeker van een burgemeester van Bosniak (Bosnische moslim) komaf. Zondag zijn er lokale verkiezingen en voor het eerst sinds de oorlog is de kans aanzienlijk dat een Bosnisch Servische kandidaat meerderheid van stemmen haalt. Srebrenica maakt zich op voor een harde etnische strijd in het stembureau.

‘Een burgemeester die genocide ontkent is simpelweg onacceptabel’, zegt Camil Durakovic, de huidige Bosniak burgemeester en kandidaat voor een nieuwe termijn. Vanuit zijn kantoor in het gemeentehuis voert hij een snoeiharde campagne. ‘Het is al moeilijk genoeg om te leven in een naoorlogs Srebrenica waar meer Serviërs wonen dan voor de oorlog.’ Sinds de oorlog zijn de Serviërs met 70% van de bevolking in de meerderheid. Bij voorgaande lokale verkiezingen werd bij wet een uitzondering gemaakt voor Srebrenica, waardoor ook Bosniakken die buiten Srebrenica woonden mochten komen stemmen. Het bracht de Bosniakken op een meerderheid. Voor het eerst geldt de uitzondering niet meer, er werd geen meerderheid gevonden in het parlement. ‘Servische parlementsleden hebben hun best gedaan het tegen te houden en het is ze gelukt’, aldus Durakovic. ‘Dus moesten we een andere oplossing vinden om te voorkomen dat de Serviërs weer aan de macht komen in Srebrenica’.

De Bosniak kandidaat Camil Durakovic

Zijn campagneteam maakte overuren, reisde het hele land door om oorspronkelijke bewoners van Srebrenica, die tijdens of na de oorlog naar andere delen van Bosnië vluchtten, te bezoeken. De boodschap was simpel: Kom naar Srebrenica, schrijf je in als inwoner en kom op 7 oktober alsnog stemmen. Vervoer werd geregeld en ook op verkiezingsdag zullen door het hele land bussen worden ingezet. ‘Dat recht hebben ze, die mensen zijn niet vrijwillig vertrokken maar gevlucht vanwege de genocide.’, zegt Durakovic in perfect Engels. Als 16-jarige jongen vluchtte hij in 1995 door de bossen bij Srebrenica, ontsnapte aan de dood en emigreerde naar de Verenigde Staten om in 2005 met een rechtendiploma terug te keren naar Bosnië. De campagne had succes, ruim 3000 nieuwe kiezers kwamen zich inschrijven. ‘Nu moeten we hopen dat het genoeg is’.

De Bosnisch Servische kandidate Vesna Kocevic

Oneerlijk, vinden veel Bosnische Serviërs. ‘De oorlog is voorbij, hoe lang moeten wij daar nog voor boeten?’, zegt Zoran, eigenaar van een piepklein cafe. De gevel hangt vol posters van SNSD, de partij van de Servische kandidaat Vesna Kocevic. ‘Kijk maar, dit is een Servisch dorp. Hier hoort toch Servische burgemeester’. Hoewel er in het Servische kamp verdeeldheid ontstond toen een tweede Serviër (zakenman Radojice Ratkovac) zich kandidaat stelde, is de verwachting dat de meeste Serviërs op Kocevic gaan stemmen. ‘Het kan tot een verschil van 50 of 100 stemmen komen’, zegt Kocevic vanachter haar bureau op het gemeentehuis waar ze wethouder van economische zaken is onder Durakovic. Kocevic is van de partij van Milorad Dodik, de president van de Servische Republiek, die de genocide in Srebrenica openlijk ontkent. Haar retoriek lijkt milder: ‘Niemand hoeft bang te zijn als ik aan de macht kom. Ik zal burgemeester zijn voor alle burgers van Srebrenica, ongeacht etniciteit’. Ook het sluiten van herdenkingscentrum Potocari, waar sommige Bosniakken bang voor zijn, is voor haar ondenkbaar. ‘Ik begrijp goed wat er in de oorlog is gebeurd, ook ik wil oorlogsmisdadigers -van beide kanten- veroordeeld zien’, antwoord ze afwijkend op de vraag of zij de genocide wel of niet erkent. ‘Ik hoop voor de toekomst dat mensen zich gaan bezighouden met economische ontwikkeling in plaats van met etnische kwesties.’

De langgerekte Marshall Tito-straat kronkelt als een ader door Srebrenica. ‘Als je zo de straat in kijkt is het eerste huis van een Serviër, het tweede van een Bosniak, het derde weer van een Serviër’, zegt Milos Vucic, student en Serviër. ‘Hier tegenover woont een Bosniak naast een Serviër, ze zijn beste vrienden’. De weg hangt aan weerszijden vol verkiezingsposters. Het portret van Durakovic siert de lantarenpalen, maar de rode plakkaten van Kocevic overheersen het straatbeeld.

Voordat de campagne begon was nauwelijks op te maken wie een Bosniak en wie een Serviër was in het gemengde Srebrenica, nu is het overduidelijk. ‘Deze verkiezingen zetten de etnische spanningen weer op scherp zetten’, zegt Aida, die haar vader verloor bij de genocide van 1995. ‘De sfeer is anders dan normaal. We zeggen elkaar nog wel gedag, maar je voelt het in de lucht. Iedereen is gespannen.’ Het liefst zou ze stemmen op een kandidaat die neutraal is, maar die ontbreekt. ‘Bovendien wordt het gezien het als verraad om niet op een Bosniak te stemmen’. Het is aan de politiek om dat tij te keren, vindt ze: ‘De realiteit is dat we hier allemaal moeten moeten wonen en belangrijkere problemen hebben’. Ze duidt op misschien wel het enige dat beide bevolkingsgroepen verbindt; een werkeloosheidspercentage van ruim veertig procent. Het is iets waar het in de campagnes nauwelijks over gaat, vindt Aida.

Zeventien jaar na de genocide leven Serviers en Bosniakken letterlijk naast elkaar. Ze werken samen en hun kinderen gaan naar dezelfde school. Confrontaties zijn er bijna niet. ‘We zijn niet zo close als voor de oorlog, maar we gaan normaal met elkaar om’, zegt Mehmedalija Salkic, een Bosniak die tien jaar geleden terugkeerde naar zijn verlaten huis in Srebrenica. Gedurende de massamoord verloor de familie Salkic 17 mannen. ‘Mijn buren zijn Serviërs, we groeten elkaar iedere dag. En mijn loodgieter, een goede jongen.’ Maar als het op de keuze voor een nieuwe burgemeester aan komt, is de segregatie weer allesoverheersend en komen herinneringen aan de oorlog naar de oppervlakte. Een Bosniak stemt op een Bosniak, een Serviër op een Serviër. ‘We zijn bang dat de Serviërs de verkiezingen gaan winnen’, Zegt mevrouw Salkic. ‘Maar daar is Srebrenica nog niet klaar voor. Daarvoor is de oorlog nog te vers.’

Een manier vinden waarop iedereen kan leven met het verleden. Dat is volgens Dragana Jovanovic van de NGO ‘Vrienden van Srebrenica’ waar Srebrenica zich nu op zou moeten richten. Maar ze heeft weinig hoop, ongeacht wie er zondag als winnaar uit de bus komt: ‘Beide kandidaten zijn bezig de bevolking nog meer te segregeren, in plaats van ons te verbinden.’

==================

In 1995 wordt in het Amerikaanse stadje Dayton een akkoord gesloten dat het einde van de oorlog inluidt. De Dayton akkoorden hebben een verdeling van Bosnië in twee entiteiten tot gevolg. De Bosnische Federatie, waar Bosniakken en Kroaten deel van uitmaken en de Servische Republiek, waar de Bosnische Serviërs de macht hebben. De entiteiten hebben een eigen president, parlement en politiemacht. Srebrenica ligt in de Servische Republiek en is daar de enige plek waar zowel Bosnische Serviërs (70%) als Bosnische moslims (30%) wonen. Het is tevens de enige gemeente in de Servische Republiek waar een Bosniak burgemeester is.

In Juli 1995 werden in Srebrenica tussen de 7000 en 8000 mannen en jongens, die formeel onder bescherming stonden van het Nederlandse VN-bataljon DutchBat, vermoord door troepen van de Bosnisch-Servische legerleider Ratko Mladic. In 2007 werd de massamoord door het Internationaal Gerechtshof tot genocide benoemd.