Een noodkreet uit Fukushima

Oorspronkelijk gepubliceerd op de/het weblog De Jaap.

De wereld zit stil, leunt achterover en wacht rustig af tot de gevolgen van het nucleaire drama in Fukushima zichtbaar worden. Die zullen zich over een paar jaar, tientallen jaren wellicht, wel eens aandienen. Tegen die tijd weten we met zekerheid welke plaats Fukushima echt in de geschiedenisboeken krijgt. Maar ondertussen wonen er gewoon mensen op nog geen dertig kilometer van de kerncentrale. En klinken uit de Japanse provincie langzaamaan steeds meer wanhoopskreten.

Ruim acht maanden na de desastreuze aardbeving wil een selecte groep omwonenden van de omstreden kerncentrale Fukushima Daiichi niet meer afwachten. Het zijn de moeders, boeren, het treinpersoneel zelfs, die zich uit het Japanse keurslijf losrukken om de noodklok luiden. Maar ze worden niet gehoord.

Moeders van Fukushima
De eerste geluiden komen van de ‘Unie van moeders van Fukushima’. Ze komen  bijeen in een zaaltje in Fukushima-stad. Daar vertelt oprichtster Sachiko Sato dat ruim 500 moeders zich inmiddels hebben aangemeld. Ze zijn boos, woedend mag je wel zeggen. Ze vinden dat alle kinderen binnen een straal van 80 kilometer van de kerncentrale per direct weg moeten uit Fukushima.

Japanse kinderen mogen sinds kort blootstaan aan hogere straling dan kinderen elders op de wereld. De Japanse overheid heeft die limiet verhoogd. Totaal absurd, vinden de moeders. “Dus het is nu opens geoorloofd dat mijn kind ziek wordt? Als de overheid het zegt, dan is het goed. Zo werkt het in dit land”. De meerderheid van de moeders in Fukushima heeft geen idee wat er aan de hand is. De overheid laat ze in onzekerheid. Dus werd het tijd om zelf wat te doen, vond Sato.

De moeders reizen de hele prefectuur af om andere moeders te informeren over de gevaren. Ze leggen uit wat radioactieve straling is en wat het kan doen met het menselijk lichaam. Ze vertellen dat met name kinderen snel ziek kunnen worden als ze te lang blootgesteld zijn aan de straling. Iedereen is bezorgd, vertelt Sachiko Sato. Maar men weet simpelweg niet wat te doen. “Vrouwen durven er niet met elkaar over te praten en zwijgen als het graf, maar ondertussen gaan ze kapot van bezorgdheid.”

Valse hoop
De regering heeft onlangs de evacuatiezone met tien kilometer ingekort. Dat wil zeggen, het wordt niet meer afgeraden om op dertig kilometer van de kerncentrale te wonen. Op twintig kilometer wel. Met andere woorden: het is weer veilig, jullie kunnen terug naar huis. Veel mensen, waaronder gezinnen met kinderen, volgden dat advies braaf op. “Ze geven ons steeds valse hoop”, aldus Sato.

Een vader uit Fukushima huurde vorige maand op eigen houtje een ruimte boven een winkel, waar hij kinderen gratis test op straling. Hij kocht meetinstrumenten en las zich grondig in. Hij nodigde een Duitse hoogleraar stralingskunde uit om een lezing te geven. De opkomst was groot. Hij test ook voedsel. Iedere dag koopt hij een willekeurig product en onderwerpt het aan een grondige inspectie. Zo mat hij extreem hoge stralingswaarden in paddestoelen, die gewoon in de winkels liggen.

Conducteurs
Bij diezelfde bijeenkomst van de moedersunie, spreekt ook de voorzitter van de Japan Railways-protestbeweging. Machinisten en conducteurs maken zich zorgen, is zijn boodschap. Ze rijden dagelijks op hun trein door Fukushima en weten niet hoe ze zich moeten beschermen tegen radioactieve straling. Ze overwegen een staking, maar het is nog te moeilijk collega’s de noodzaak daarvan te doen inzien.

De opstandelingen blijven – op z’n Japans – nog bescheiden in hun eisen. Het gaat ze er niet om dat de hele provincie Fukushima moet worden geëvacueerd. Ze willen louter dat mensen goed geïnformeerd worden, zodat ze zelf de keuze kunnen maken te vertrekken of niet.

Zwijgende overheid, zwijgende wereld
En dat is in de eerste plaats natuurlijk de taak van de Japanse overheid. Zij dient alle informatie die bekend is over de gevaren van de straling te verstrekken aan omwonenden. Maar het blijft stil. En terwijl de autoriteiten de kop in het zand steken, blijft het ook in de rest van de wereld stil. Want waar is de international gemeenschap? Waar is de VN? En waar zijn de NGO’s? Als zich een ramp voordoet met zichtbare gevolgen (noem een Haïti, een tsunami in het zuid-oosten van Azië, hongersnood in het westen van Afrika), dan staan talloze teams van non-gouvermentele organisaties in de rij om hulp te bieden. Niet in Fukushima.

In Fukushima zie je alleen het Japanse Rode Kruis doen wat in haar vermogen ligt. Eerste hulp bij evacuatie voor hen die het kunnen betalen. Ze verstrekken koelkasten, gasfornuizen en stofzuigers aan geevacueerden in tijdelijke woningen. Ze brachten spelcomputers naar scholen in Fukushima, opdat kinderen wat te doen hebben. Ze mogen namelijk niet buiten spelen vanwege stralingsrisico’s.

Retourtje evacuatiezone
Vorige maand faciliteerde het Rode Kruis een retourtje evacuatiezone voor de mensen die hun huis in maart acuut moesten verlaten. Ze mochten een paar uur terug om achtergelaten spullen op te halen. Het Rode Kruis gaf ze mondkapjes en plastic hoesjes voor de schoenen om overmatige straling tegen te houden. Maar als je medewerkers vraagt of zo’n mondkapje wel zin heeft, lees je twijfel van hun gezicht. Als je vraagt hoe gevaarlijk het daadwerkelijk is om zo dicht bij de kerncentrale te zijn, hebben ze geen antwoord. Ze weten het niet.

In de supermarkten is het al acht maanden Russisch roulette op de groente- en fruitafdeling. Niemand weet wat veilig is en wat niet. Of ze het water uit de kraan kunnen drinken, of niet. Waar blijven de hulporganisaties die accurate informatie kunnen geven over het effect van radioactieve straling op voedsel en grondwater?

Anti-kernenergie
Hoewel er in Japan steeds meer protest tegen kernenergie losbarst, heeft de tragiek in Fukushima op dit moment weinig te maken met een lobby tegen kernenergie. We hebben hier te maken met een tragisch ongeluk in een groot dichtbevolkt gebied dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid veel slachtoffers gaat maken.

Op kleine schaal komt in Fukushima weliswaar protest van de grond. Dat zegt veel, want zelfredzaamheid is in de gesloten Japanse samenleving geen vanzelfspekendheid. Die is geboren uit noodzaak. Maar de meeste mensen wachten tot de overheid ze bij de hand neemt. Doen de autoriteiten niets, dan blijven de Japanners zitten waar ze zitten. Straling of niet.

En wachten op de zichtbare gevolgen (we weten uit de geschiedenis dat die zichtbaar gaan worden) is zinloos, zonde, maar bovenal levensgevaarlijk. Voor of tegen kernenergie; Fukushima heeft nu hulp nodig.

Mitra Nazar is journaliste. Ze werkt onder andere voor RTV Utrecht, NCRV en de Wereldomroep. Momenteel reist ze door Azië.

Even terug in de radioactieve zone

(Het Parool, 14 oktober 2011. Pagina 10)

Minamisoma (Fukushima)-

Ruim 250 families die hun woonplaats rondom de kerncentrale in Fukushima in maart ontvluchtten, konden afgelopen weekend tijdelijk terug naar hun huizen. Het Japanse Rode Kruis faciliteert iedere zaterdag de mogelijkheid om maximaal vier uur de verboden zone binnen te gaan om achtergelaten spullen op te halen.

Plastic handschoenen, hoesjes om de schoenen, kapje over het hoofd, een plastic broekpak afgemaakt met een hagelwit mondkapje. Er wordt niets aan het toeval overgelaten in de oude manege in Minamisoma, die voor de gelegenheid is ingericht tot ontsmettingsruimte. De paardenschuur ligt slechts honderd meter van de evacuatiezonegrens. Alleen vandaag mogen gewone burgers in hun eigen auto er doorheen. Mits ze helemaal zijn ingepakt in plastic.

Op de dag van de verwoestende tsunami op 11 maart van dit jaar, werden alle inwoners binnen een straal van 30 kilometer rond de kerncentrale Fukushima Daiichi dringend verzocht belangrijke spullen te pakken en te vluchten voor het nucleaire gevaar. Velen gingen naar familie op andere plekken in het land, sommigen werden opgevangen in tijdelijke behuizing. Ruim een half jaar later leven ze nog steeds in onzekerheid. Zullen ze ooit terug kunnen? En hoe staat hun huis er bij?

Yuji Idogawa was basisschoolleraar in Odaka, een dorp 15 kilometer van de centrale. Nu woont hij werkeloos met zijn gezin elders in de provincie Fukushima. Het is de tweede keer na de ramp dat hij terug gaat naar zijn huis. De eerste keer was vlak na de ramp, een bliksembezoek. Niet langer dan een uur mocht hij toen in het gebied blijven. Vandaag kan hij meer spullen ophalen. “Het is waarschijnlijk de laatste keer dat ik thuis kom”, vertelt Idogawa terwijl hij in de rij staat voor de stralingsmeting. Voor vertrek wordt hij getest zodat de hoeveelheid straling na terugkomst goed te meten is.

“Ik denk dat we nooit meer definitief terug kunnen. De overheid kan wel zeggen dat de vooruitzichten goed zijn, maar ik vertrouw het nog lang niet. Ik kan mijn kinderen de gezondheidsrisico’s niet aan doen.”

De Japanse overheid schroefde de evacuatiezone vorige week met tien kilometer terug omdat er in de gebieden tussen de 20 en30 kilometer van de kerncentrale verminderde radioactieve straling zou zijn gemeten. Hoe gevaarlijk het is om gedurende korte periode het afgezette gebied binnen te gaan, weet niemand exact. Dat het niet geheel zonder risico’s is, weet iedereen. Matsumoto Sayaka van het Japanse Rode Kruis: “Het is op eigen risico wat deze mensen vandaag doen. Wij zorgen ervoor dat ze zich zo goed mogelijk kunnen beschermen.”

Voor vertrek wordt het tijdstip genoteerd. Men mag maximaal vier uur in het gebied zijn. Iedereen krijgt een klein meetapparaat om de nek gehangen, die meet op elk moment hoeveel straling er is. De autoraampjes gaan dicht, de airconditioner moet uit. Kinderen onder de 15 mogen niet mee.

Rond het middaguur druppelen de eerste auto’s weer binnen. De parkeerplaats van de manege staat vol witte partytenten, zo’n honderd stralingsspecialisten van TEPCO in witte pakken wachten op de eerste auto’s die terugkeren uit het gebied. Op lange tafels staan honderden geigertellers en bodymeters klaar. Alle auto’s worden grondig doorgemeten en als er geen alarmerend grote hoeveelheden straling wordt gevonden, mogen ze gaan.

Yuji Idogawa is ruim 3 uur thuis geweest. Hij heeft de zolder leeggeruimd, spullen ingepakt en wat door de buurt gelopen. Het was zeker niet makkelijker dan de eerste keer, vertelt hij met een glazige blik in de ogen. “Het dak van mijn huis is volledig verwoest door de aardbeving, de ramen zijn kapot. Tijd om dat te repareren was er niet. Overal is wildgroei. Het dorp is kilometers lang compleet verlaten. Het is treurig om je eigen woonplaats zo te zien.”

Zakken vol kleding en dekens. Zijn kleine Suzuki is helemaal volgebouwd. “Meer kon ik niet meenemen. Dit zijn het belangrijkste dingen.” Tussen de zakken staan dozen met speelgoed voor de kinderen, een paar fotoalbums en een stofzuiger.

Toyo Suenaga (71) ging voor het eerst terug naar haar verlaten huis aan de rand van Namie, een dorp op slechts 7 kilometer van de kerncentrale. Haar zoon ging mee. Lichte tranen biggelen over haar verrimpelde wangen als ze vertelt. Haar huis was een grote bende. Suenaga denkt dat er geplunderd is. “Veel spullen zijn verdwenen, het zag eruit alsof iemand was binnengeweest”, zegt ze ontredderd.

Als iedereen zich heeft ontdaan van de witte beschermingslaag, kan er weer opgelucht adem worden gehaald. De mondkapjes, handschoenen en witte pakken gaan in grote vuilniszakken naar een plek waar ze veilig verbrand kunnen worden. En dan moet er worden gemeten.

De straling gemeten na vier uur in het evacuatiegebied te zijn geweest varieert van 2 tot 5 microsievert per uur, rapporteert Matsumoto Sayaka van het Rode Kruis. Dat is niet meteen gevaarlijk, maar als je er zou blijven wonen zeerzeker wel. (zie info onderaan)

“We zijn allemaal bang”, zucht Toyo Suenaga. Een paar weken na de aardbeving bleek dat in Namie de hoogste dosis radioactiviteit is gemeten. Op de dag van de evacuatie had de 70-jarige gepensioneerde vrouw geen idee van de gevaren waaraan ze zeker 24 uur lang is blootgesteld. Dan moet ze gaan. Haar zoon heeft de auto voorgereden. Terug naar huis. Naar haar nieuwe huis. Niet 7, maar ruim 25 kilometer ver weg van de kerncentrale. Misschien is het daar wel veilig. Maar dat weet niemand zeker.

======

Hoe gevaarlijk is het nou eigenlijk?

De dosis die normaal wordt gemeten rond een kerncentrale is onder de 0,5 microsievert. Rond Fukushima Daiichi is dat momenteel tussen de 2 en 5 microsievert.

De hoeveelheid radioactieve straling wordt uitgedrukt in de meeteenheid Microsievert. De microsievert wordt per uur gemeten. Een (normale, natuurlijke) straling is 0,2 microsievert per uur, dat is al gauw (x24) 4,8 per dag en 1752 microsievert per jaar. 1000 microsievert is 1 millisievert. Per jaar dus 1,75 millisievert.

Niet-natuurlijke straling krijg je bijvoorbeeld door rontgenfoto’s te laten maken, of door vlakbij een kerncentrale te wonen. De maximum niet te overschrijden hoeveelheid ligt op 1 millisievert per jaar voor gewone burgers en 20 millisievert per jaar voor mensen die werken met radioactieve straling. Dat betekent dus dat zij na een jaar meten, ervoor moet zorgen dat de teller niet boven de 20 millisievert uitkomt.

De mensen die teruggingen naar hun huis in de no-go-zone rond de kerncentrale Fukushima waren maar vier uur in een gebied met verhoogde radioactieve straling. Ze maten tot 5 microsievert per uur. Dat is 120 microsievert per dag. En dus 43800 microsievert per jaar. Omgerekend is dat 43,8 millisievert per jaar: Meer dan het dubbele van de toegestane hoeveelheid van 20 millisievert. Dat zegt genoeg over het gevaar als deze mensen er zouden blijven wonen.

Fukushima-notes (2)

Zes uur in de vroege morgen. Een tijdstip waarop de Japanse zonsopgang uiteraard allang heeft plaatsgevonden. Wekker, douche, straat, busstation. De bus naar één van de door de tsunami zwaarst getroffen plekken, Minamisoma, vertrekt om half zeven en is nagenoeg leeg.

Via een couchsurfer in Shirahawa, die me in contact bracht met iemand in Fukushima, die me in contact bracht met iemand in Minamisoma, heb ik op de valreep een lieve Engelssprekende mevrouw gevonden die me graag een dag op sleeptouw neemt in haar treurige, verlaten, vernietigde, radioactieve woonplaats.

Mihoko is rond de zestig, maar ziet eruit alsof ze veertig is. Ze komt me ophalen in haar glimmend rode Toyota station. Haar lippenstift is bijna net zo rood als de auto. “Daar zul je Yoko hebben!” roept ze wild zwaaiend naar een naderende gestalte. Op Yoko na is er geen mens op straat. Minamisoma lijkt een stad in slaapstand. Alles is dicht. Tientallen kapperszaken op rij, allemaal hebben ze de luikjes dicht. “We noemen dit sinds de ramp de ‘gesloten-straat’”, vertelt Mihoko.

Yoko en Mihoko werken samen bij de Minamisoma International Association. Maar ze zijn ook dikke vriendinnen. Lachen gieren en brullen in de auto. Ik begrijp er vanzelfsprekend weinig van, want mijn Japans is nog altijd net zo slecht als mijn Swahili. Dan schakelt Mihoko opeens om naar het Engels. “Sorry, we hebben elkaar al twee dagen niet gezien, dus we moeten even bijkletsen!”. “Maar we gaan dus naar het Rode Kruis?”, vervolgt ze rap.

Ik heb een afspraak met het Japanse Rode Kruis op de grens van de 20km evacuatiezone rondom de kerncentrale van Fukushima. Een grote groep mensen gaat vandaag een paar uur terug naar hun verlaten huizen vlak bij de centrale.

We staan in een enorme sporthal waar iedereen een mondkapje draagt. Na een half uur interviews doen, vraag ik Mihoko of wij ook niet eens zo’n ding moeten regelen. Het lijkt me toch niet voor niets. “Nee joh!” Gilt Yoko. “Wij zijn sterke vrouwen!” Zonder dat Yoko het ziet, grist Mihoko toch snel twee mondkapjes uit de mondkapjesbak. Ze hangt ‘m nonchalant om haar nek. Niet om haar mond. Ik volg haar voorbeeld.

Een uur later, we zitten gedrieën weer in de auto. De sfeer is een stuk serieuzer geworden. 660 inwoners van Minamisoma hebben de tsunami niet overleefd. Nog 23 worden vermist. Mihoko kende er een aantal goed. Minamisoma is dubbel zwaar getroffen. De kust werd weggeslagen door de enorme vloedgolf, huizen werden compleet weggespoeld. En dan ook nog die verdomde kernreactor. Twintig kilometer. Mihoko is een maand geëvacueerd, maar keerde als één van de eersten terug. Ze wilde, ze moest terug. Het werk ging door en toen haar buurt werd vrijgegeven door de autoriteiten omdat de straling er gedaald was, vonden zij en haar man het verantwoord om weer naar huis te gaan. Haar kinderen en kleinkinderen zijn nooit meer teruggekomen. Niet eens voor een bezoek.

We stoppen bij de golfbaan. “Mitora-san, je móet onze baas ontmoeten!” Mitora-san. Zo heet ik in Japan. Die o zit er tussen omdat ze geen losse t-klank kennen. Dus wordt het Mitora. Ik vind het prima.

Mister Yoshinobu Shiga is eigenaar van de golfbaan in Minamisoma. Het is zaterdag en bijzonder druk op de baan. Uitsluitend mannen slaan zo hard ze kunnen balletjes het veld op. Het gras is lang. Veel te lang voor een golfbaan, zegt mister Shiga. Maar hij durft het niet te maaien. Hij doet iedere dag metingen, en het niveau van radioactieviteit is te hoog. Een heel stuk hoger dan op andere plekken in Minamisoma. Dus blijft mister Shiga voorlopig van het gras af. De golfers ook. Die slaan louter balletjes het radioactieve veld op.

Waarom staan jullie hier dan zo ontspannen te golfen? Vraag ik voorzichtig. Mister Shiga begint hard te lachen, bulderen bijna. “De mannen die je hier ziet hebben zoveel stress. Als ze niet konden golfen om te ontspannen, zouden ze gisteren al dood zijn neergevallen.” Naast de golfbaan wordt de grond rondom een verlaten kleuterschool omgeploegd. De bodem wordt verwijderd, zoals op veel plekken in Minamisoma. Ze hebben alleen nog geen plek gevonden om de radioactieve grond te dumpen.

We rijden verder. Naar een tijdelijke opvang voor mensen die hun huis zijn kwijtgeraakt door de tsunami. Een gymzaal met matrasjes, van elkaar gescheiden door kartonnen dozen. De meeste mensen zijn inmiddels allang elders opgevangen, bij vrienden of familie. Maar er zijn nog 43 eenzame zielen die hier tussen de kartonnen dozen hun dagen doden. Een vrouw van 73. Drie dekens en twee verhuisdozen heeft ze nog. Ze lacht verlegen als ik hallo zeg, maar staart diep de oneindigheid in als ik me nog even omdraai bij het naar buiten gaan. Ze ziet me niet.

Minamisoma stond ooit bekend om haar mooie stranden. Dat is behoorlijk verleden tijd. Na zeven maanden liggen er nog altijd auto-wrakken langs de kust, die een paar weken na de tsunami aanspoelden. Verlaten huizen staan op instorten. Een plastic wasmand op het strand. Er zit een pluche pinguïn in.

 

Fukushima notes (1)

Overpeinzingen en ontmoetingen op dag 1 in Fukushima

Ik zit op een stoepje tegenover het treinstation van Fukushima-stad. En ik kan het niet helpen. Ik kijk naar de mensenmenigte en denk: Zijn deze mensen heel langzaam kapot aan het gaan? Ziek aan het worden, dood aan het gaan misschien? Heel langzaam…

Fukushima is een middelgrote stad. Als je niet beter zou weten, een heel gewone, gezonde Japanse plaats. Waar mensen vrolijk lachend naar je buigen als je net iets te lang bij ze in de buurt blijft staan. Waar schoolkinderen met rode petjes in rijen van twee het zebrapad oversteken. De juf er met een fluitje in de mond paniekerig achteraan holt. Waar malle tekeningetjes de vele gebodsborden net wat dragelijker maken. Waar iedereen braaf wacht tot het verkeerslicht op groen springt, ook al is de straat leeg.

Het lijkt een vertekening. Of toch niet? Is het leven dan echt gewoon doorgegaan? Is iedereen vergeten dat de kerncentrale Fukushima no1 hier een luttele 60 kilometer vandaan staat?

Ik vraag het Kevin, een Taiwanese Canadees die twee jaar in Fukushima woont. Ja en nee, zeg hij me. Mensen zijn het heus niet vergeten. Ze leven iedere dag met de onzekerheid, de angst dat een onzichtbaar gif op hen neerdaalt. Maar wat moeten ze anders doen?

Het klinkt logisch, menselijk. The show must go on. Maar ondertussen lopen alle schoolkinderen met een touwtje om hun nek waaraan een kleine geigerteller hangt. De juf heeft ze geleerd hoe het ding te gebruiken. Als ze ergens willen spelen moeten ze eerst meten hoeveel radio-actieve straling er op die plek is. Als het metertje rood uitslaat, moeten ze binnen gaan spelen. Veel donaties voor scholen in Fukushima bestaan dan ook uit spelcomputers.

Zestig kilometer. De afstand van de stad tot de verwoestte kerncentrale. Je kunt erover speculeren. Maar volgens Kevin zijn op sommige plaatsen in Fukushima-stad hogere niveaus van straling gemeten dan op plekken op steenworp afstand van de kerncentrale.

In de supermarkt kun je een aardig potje Russisch roulette op de groente- en fruitafdeling spelen. Want hoe weet je nou zeker dat die peren niet van een gaard komen in de omgeving van de kerncentrale? Groenteverkopers doen hun best de herkomst van alle producten op een bordje te schrijven. Maar hoeveel stappen zitten er tussen de boomgaard en de supermarkt? Kun je alle tussenhandelaren op hun bruine ogen geloven? En dan nog de vraag: hoe gevaarlijk is het eigenlijk als je een peer eet die vol zit met straling? Eén peer, iedere dag een peer, of een perzik, of een krop sla, tomaten? En dan het drinkwater niet te vergeten. De rijst, of die overheerlijke sushi-vis.

Op de universiteit van Fukushima ontmoet ik Akinori. Hij is een jaar of twintig en deelt flyers uit. Ik pak er één aan omdat er een groot geel kernenergie-icoon op staat met een dikke rode streep erdoor. Akinori voert samen met honderden medestudenten actie tegen kernenergie in Japan. De Fukushima-afdeling van de actiegroep is na de ramp enorm gegroeid. Vorige maand organiseerden ze een massale demonstratie tegen kernenergie in Tokio waar tienduizenden mensen op afkwamen.

Akinori eet en drinkt wel gewoon alles, maar is daarom niet minder bang voor de risico’s. “De straling is zo ver gekomen dat het niet uit maakt of ik nu fruit eet uit een andere provincie”. Het gevaar is onomkeerbaar vindt hij. Zijn visie op kernenergie moge duidelijk zijn. En de overheid liegt zijn burgers voor door te zeggen dat het veilig is om hier te blijven. Waarom Akinori zelf niet weggaat? Hij wil Fukushima niet in de steek laten, voelt zich verantwoordelijk. Maar erg lang zal hij het niet volhouden. “Als ik over een jaar vertrek, ben ik nog wel te redden.”

Ondertussen liggen de supermarkten godzijdank vol met bakken gedroogde noodles in diverse smaken en kleuren.