Tokio ontdekt de Fiets

Maart/April nummer De Vogelvrije Fietser

Je ziet ze steeds meer. Fietsers in Japans supermetropool Tokio. Niet alleen omdat het goed is voor de gezondheid. De verwoestende aardbeving afgelopen maart, heeft Japanners in de hoofdstad massaal de fiets op gejaagd. 

Het is een drukte van jewelste op de kruising bij Yoyogipark in de wijk Shinjuku. Rijen torenflats markeren de kaarsrechte wegen. Enorme lichtbakken boven winkels en restaurants schreeuwen je de laatste mode toe. Voor de kruising wachten een paar tientallen voetgangers braaf tot het licht op groen springt. Behalve voetgangers staan er ook een stuk of wat fietsers te wachten.

Of het nou een jong meisje in schooluniform, een hoogbejaarde man met bolhoed of een zakenman in gladgestreken streepjespak is. Je ziet ze in alle soorten en maten voorbij schieten. De één wat behendiger in het slalommen over de stoep dan de ander. Want slalommen, dat is een vaardigheid die de fietser in Tokio ten zeerste dient te beheersen.

Aardbeving

Na de verwoestende aardbeving van maart dit jaar, heeft het fietsen in Tokio een enorme vlucht genomen. De eerste paar dagen na de ramp op 11 maart van dit jaar, lag het trein- en metronetwerk in Tokio volkomen plat. Er was nagenoeg geen elektriciteit, met als gevolg dat mensen niet naar of van hun werk konden forensen. Namen ze de auto of een taxi, dan stonden ze binnen mum van tijd vast in een enorm verkeersinfarct. En lopen in een stad als Tokio is een behoorlijk tijdrovende klus.

De enkele fietser die op zijn dooie gemakje tussen de files door fietste en wél op tijd op het werk verscheen, trok de aandacht. Voorbeeld deed al gauw volgen en binnen luttele dagen draaiden fietsverkopers overuren. Binnen een week waren velen door hun hele fietsenvoorraad heen. “Op de eerste dag na de aardbeving verkocht ik binnen drie uur al honderd fietsen terwijl ik dat aantal daarvoor in een week niet eens kwijtraakte”, vertelt Satoru Minami, eigenaar van een kleine fietsenwinkel in de wijk Shinjuku.

Na een paar weken stabiliseerde dat dat aantal weliswaar, maar Minami merkt nog steeds dat meer mensen een alternatief voor de auto zoeken om van A naar B te komen: “Vorig jaar verkocht ik nog vooral sportfietsen, maar nu komen meer mensen voor een simpele kleine stadsfiets.” Zijn klanten zijn divers. Maar het zijn vooral de zakenmensen in pak die hem het meest verbazen. “Die zag ik een jaar geleden zelden in mijn winkel. Ik denk dat ze na de aardbeving hebben ingezien dat je niet altijd kunt rekenen op de metro.”

Uit noodzaak geboren, werd fietsen gauw ook een bewuste keuze. Na de aardbeving, die ook de kerncentrale in Fukushima fataal werd, is in Japan een grote lobby begonnen voor energiebesparing. Burgers worden dagelijks opgeroepen te besparen waar dat kan. Op liftdeuren hangen affiches met: ‘kunt u ook de trap nemen? Doe dat dan!’ Op willekeurig plekken in de stad hangen stickers en affiches met de tekst: ‘Bespaar energie!’

Mamachari

Er zijn twee categorieën fietsers in Tokio. De trage boodschappenfietser die over de stoepen van de stad manoeuvreert. En de serieuze fietser op een mountainbike of sportieve vouwfiets die snel door het drukke verkeer op de autoweg rijdt. 

Die eerste categorie is een doorn in het oog voor Atsushi Nakamura, fietser van het eerste uur. “Je ziet mensen op oude mamachari’s met slechtwerkende remmen, ze weten niet hoe ze zich moeten gedragen in het verkeer”, vertelt hij nippend aan een ijskoffie in een café in de wijk Asakusa. De mamachari is een begrip in Japan. Het betekent letterlijk ‘mama’s fiets’, een simpele boodschappenfiets met een mandje op het stuur. Iedere Japanner heeft er wel een in de schuur staan.

Namakura zelf behoort tot de laatste categorie. Hij noemt zichzelf een echte fietsgek, bezit zeven verschillende fietsen en is oprichter van de website Cycle Tokyo. Een handige online gids voor een ieder die wil fietsen in Tokio. Hij beschrijft er de mooiste fietsroutes en geeft tips hoe om te gaan met het verkeer. De site heeft een plattegrond met alle fietsenstallingen en een lijst met plekken waar je een fiets kunt huren.

Ondergeschoven kindje

Hoewel Tokio steeds fietsvriendelijker wordt, zijn fietsers volgens Nakamura  nog steeds een ondergeschoven kindje. “We moeten het doen met fietspaden die opeens ophouden te bestaan en zijn vaak aangewezen op de autoweg, met alle gevaren van dien”.

Ook Wataru Sekine fietst graag. Hij studeert aan de Tokyo Universiteit en pakt iedere dag zijn opvouwbare fiets om van huis naar de faculteit te reizen, zo’n vijf kilometer. Ook Sekine kan zich behoorlijk opwinden over het gebrek aan fietspaden. “Ik moet soms gevaarlijke kruispunten oversteken, of aan de verkeerde kant van de weg rijden omdat het niet anders kan”, vertelt hij. “Maar er is gewoon geen ruimte in Tokio voor een extra pad langs de weg.”

Tokio heeft wel degelijk echte fietspaden. Mooie gladgestreken roze stukken asfalt. Maar die zijn vooral rondom parken en langs rivieren aangelegd voor de recreatieve fietser. In de stad blijft het een beetje uitvogelen waar je als fietser nou precies thuis hoort. Sommige stoepen zijn breed genoeg dat er voldoende plek is om te fietsen. Daar hebben fietsers dan ook een echte fietslaan tot hun beschikking. Een bord boven het voetgangerspad geeft aan dat fietsers links en voetgangers rechts behoren te gaan. Iets wat overigens nog niet helemaal is doorgedrongen tot de Japanse wandelaar, die je er vaak genoeg op het fietspad treft.

Atsushi Namakura is betrokken bij een lobbygroep die zich hard maakt voor de rechten van fietsers in Tokio. Ze komen regelmatig bij elkaar en bespreken hoe ze de stad fietsvriendelijker kunnen maken. “We willen de gemeente laten inzien dat de veiligheid beter moet. Kinderen leren hier niet hoe ze fatsoenlijk moeten fietsen en de politie treedt niet op tegen mensen die aan de verkeerde kant van de weg fietsen”, legt Namakura uit. Natuurlijk wil de fietslobby het liefst dat overal langs de autoweg goede fietspaden komen. “Net zoals in Nederland!” roept Namakura enthousiast. Maar realistisch is hij ook: “Zo ver zijn we nog lang niet.”

Fietsenstalling

Tokio heeft 280 fietsenstallingen die in totaal ruimte bieden aan 180.000 fietsen. En Japan zou Japan niet zijn, als ze er geen automatische elektronisch bestuurde stallingen bij zouden zitten. Je rijdt de fiets op een ronddraaiende schijf, zet ‘m op slot en de machine doet de rest. De fiets gaat met een lift naar één van de verdiepingen van de ondergrondse ‘fietsflat’. Je betaalt in een automaat bij de uitgang. Aan het nobele streven van de Japanners om energie te besparen wordt weliswaar voorbij gegaan, wel is het praktisch en ruimtebesparend. Maar na de grote aardbeving in maart konden veel fietseigenaren hun fiets niet ophalen omdat de fietsflat was vastgelopen.

Twaalf jaar geleden kocht Nakamura zijn eerste fiets; een kleine sportieve vouwfiets. Die kleine fietsjes zie je veel in het straatbeeld van Tokio. Ze zijn van alle moderne snufjes voorzien, eenvoudig mee te nemen en handig op te bergen. “Japanse huizen zijn heel klein, er is geen ruimte voor een fietsenstalling. Je moet de fiets dus in het huis stallen.” Met zeven fietsen is Nakamura erg inventief geworden. Op zijn smartphone laat hij een foto zien van de hal in zijn huis in een buitenwijk van Tokio. “Kijk, ik heb een rekje aan de muur gehangen, alle zeven fietsen hangen zo boven elkaar tegen de muur.”

Toeristen

De website Cycle Tokyo bedacht Nakamura samen met een paar fietsvrienden. “Als je in een onbekende stad wilt fietsen, zijn er veel zaken die je moet uitzoeken. Je kent de regels niet”, ondervond Nakamura zelf toen hij op vakantie in New York ging fietsen. “Ik zocht contact met locale fietsers en zij maakten me wegwijs”. Hetzelfde wilde hij terug doen in zijn eigen stad. Als hij tijd heeft, neemt Nakamura een groep fietsende toeristen op sleeptouw. “Ik kan niet wachten tot ik met pension ga, dan kan ik dat iedere dag doen”.

Verdwalen

Op de roekeloze oudjes op mamachari’s na, kan Nakamura alleen maar heel enthousiast vertellen over fietsen in Tokio. “Op de fiets zie je pas echt hoe groot, divers en fantastisch Tokio is”, zijn ogen sprankelen. “Je kunt op één dag van het traditioneel Japanse noordoosten van de stad naar het zuidwesten fietsen, waar de torenflats en moderne straten je doen duizelen.”

Die plekken kun je ook wel zien als je met een tourbus of de metro gaat. Maar de weg er naartoe maakt het verschil, vertelt de fietstourguide spannend. “Sla af en toe een klein straatje in, en zie wat er achter de grote gebouwen schuil gaat.” Op zijn website zijn lange en minder lange routes beschreven. “Maar eigenlijk is de mooiste route geen route. Tokio is een hele fijne stad om te verdwalen.”

Een noodkreet uit Fukushima

Oorspronkelijk gepubliceerd op de/het weblog De Jaap.

De wereld zit stil, leunt achterover en wacht rustig af tot de gevolgen van het nucleaire drama in Fukushima zichtbaar worden. Die zullen zich over een paar jaar, tientallen jaren wellicht, wel eens aandienen. Tegen die tijd weten we met zekerheid welke plaats Fukushima echt in de geschiedenisboeken krijgt. Maar ondertussen wonen er gewoon mensen op nog geen dertig kilometer van de kerncentrale. En klinken uit de Japanse provincie langzaamaan steeds meer wanhoopskreten.

Ruim acht maanden na de desastreuze aardbeving wil een selecte groep omwonenden van de omstreden kerncentrale Fukushima Daiichi niet meer afwachten. Het zijn de moeders, boeren, het treinpersoneel zelfs, die zich uit het Japanse keurslijf losrukken om de noodklok luiden. Maar ze worden niet gehoord.

Moeders van Fukushima
De eerste geluiden komen van de ‘Unie van moeders van Fukushima’. Ze komen  bijeen in een zaaltje in Fukushima-stad. Daar vertelt oprichtster Sachiko Sato dat ruim 500 moeders zich inmiddels hebben aangemeld. Ze zijn boos, woedend mag je wel zeggen. Ze vinden dat alle kinderen binnen een straal van 80 kilometer van de kerncentrale per direct weg moeten uit Fukushima.

Japanse kinderen mogen sinds kort blootstaan aan hogere straling dan kinderen elders op de wereld. De Japanse overheid heeft die limiet verhoogd. Totaal absurd, vinden de moeders. “Dus het is nu opens geoorloofd dat mijn kind ziek wordt? Als de overheid het zegt, dan is het goed. Zo werkt het in dit land”. De meerderheid van de moeders in Fukushima heeft geen idee wat er aan de hand is. De overheid laat ze in onzekerheid. Dus werd het tijd om zelf wat te doen, vond Sato.

De moeders reizen de hele prefectuur af om andere moeders te informeren over de gevaren. Ze leggen uit wat radioactieve straling is en wat het kan doen met het menselijk lichaam. Ze vertellen dat met name kinderen snel ziek kunnen worden als ze te lang blootgesteld zijn aan de straling. Iedereen is bezorgd, vertelt Sachiko Sato. Maar men weet simpelweg niet wat te doen. “Vrouwen durven er niet met elkaar over te praten en zwijgen als het graf, maar ondertussen gaan ze kapot van bezorgdheid.”

Valse hoop
De regering heeft onlangs de evacuatiezone met tien kilometer ingekort. Dat wil zeggen, het wordt niet meer afgeraden om op dertig kilometer van de kerncentrale te wonen. Op twintig kilometer wel. Met andere woorden: het is weer veilig, jullie kunnen terug naar huis. Veel mensen, waaronder gezinnen met kinderen, volgden dat advies braaf op. “Ze geven ons steeds valse hoop”, aldus Sato.

Een vader uit Fukushima huurde vorige maand op eigen houtje een ruimte boven een winkel, waar hij kinderen gratis test op straling. Hij kocht meetinstrumenten en las zich grondig in. Hij nodigde een Duitse hoogleraar stralingskunde uit om een lezing te geven. De opkomst was groot. Hij test ook voedsel. Iedere dag koopt hij een willekeurig product en onderwerpt het aan een grondige inspectie. Zo mat hij extreem hoge stralingswaarden in paddestoelen, die gewoon in de winkels liggen.

Conducteurs
Bij diezelfde bijeenkomst van de moedersunie, spreekt ook de voorzitter van de Japan Railways-protestbeweging. Machinisten en conducteurs maken zich zorgen, is zijn boodschap. Ze rijden dagelijks op hun trein door Fukushima en weten niet hoe ze zich moeten beschermen tegen radioactieve straling. Ze overwegen een staking, maar het is nog te moeilijk collega’s de noodzaak daarvan te doen inzien.

De opstandelingen blijven – op z’n Japans – nog bescheiden in hun eisen. Het gaat ze er niet om dat de hele provincie Fukushima moet worden geëvacueerd. Ze willen louter dat mensen goed geïnformeerd worden, zodat ze zelf de keuze kunnen maken te vertrekken of niet.

Zwijgende overheid, zwijgende wereld
En dat is in de eerste plaats natuurlijk de taak van de Japanse overheid. Zij dient alle informatie die bekend is over de gevaren van de straling te verstrekken aan omwonenden. Maar het blijft stil. En terwijl de autoriteiten de kop in het zand steken, blijft het ook in de rest van de wereld stil. Want waar is de international gemeenschap? Waar is de VN? En waar zijn de NGO’s? Als zich een ramp voordoet met zichtbare gevolgen (noem een Haïti, een tsunami in het zuid-oosten van Azië, hongersnood in het westen van Afrika), dan staan talloze teams van non-gouvermentele organisaties in de rij om hulp te bieden. Niet in Fukushima.

In Fukushima zie je alleen het Japanse Rode Kruis doen wat in haar vermogen ligt. Eerste hulp bij evacuatie voor hen die het kunnen betalen. Ze verstrekken koelkasten, gasfornuizen en stofzuigers aan geevacueerden in tijdelijke woningen. Ze brachten spelcomputers naar scholen in Fukushima, opdat kinderen wat te doen hebben. Ze mogen namelijk niet buiten spelen vanwege stralingsrisico’s.

Retourtje evacuatiezone
Vorige maand faciliteerde het Rode Kruis een retourtje evacuatiezone voor de mensen die hun huis in maart acuut moesten verlaten. Ze mochten een paar uur terug om achtergelaten spullen op te halen. Het Rode Kruis gaf ze mondkapjes en plastic hoesjes voor de schoenen om overmatige straling tegen te houden. Maar als je medewerkers vraagt of zo’n mondkapje wel zin heeft, lees je twijfel van hun gezicht. Als je vraagt hoe gevaarlijk het daadwerkelijk is om zo dicht bij de kerncentrale te zijn, hebben ze geen antwoord. Ze weten het niet.

In de supermarkten is het al acht maanden Russisch roulette op de groente- en fruitafdeling. Niemand weet wat veilig is en wat niet. Of ze het water uit de kraan kunnen drinken, of niet. Waar blijven de hulporganisaties die accurate informatie kunnen geven over het effect van radioactieve straling op voedsel en grondwater?

Anti-kernenergie
Hoewel er in Japan steeds meer protest tegen kernenergie losbarst, heeft de tragiek in Fukushima op dit moment weinig te maken met een lobby tegen kernenergie. We hebben hier te maken met een tragisch ongeluk in een groot dichtbevolkt gebied dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid veel slachtoffers gaat maken.

Op kleine schaal komt in Fukushima weliswaar protest van de grond. Dat zegt veel, want zelfredzaamheid is in de gesloten Japanse samenleving geen vanzelfspekendheid. Die is geboren uit noodzaak. Maar de meeste mensen wachten tot de overheid ze bij de hand neemt. Doen de autoriteiten niets, dan blijven de Japanners zitten waar ze zitten. Straling of niet.

En wachten op de zichtbare gevolgen (we weten uit de geschiedenis dat die zichtbaar gaan worden) is zinloos, zonde, maar bovenal levensgevaarlijk. Voor of tegen kernenergie; Fukushima heeft nu hulp nodig.

Mitra Nazar is journaliste. Ze werkt onder andere voor RTV Utrecht, NCRV en de Wereldomroep. Momenteel reist ze door Azië.

Even terug in de radioactieve zone

(Het Parool, 14 oktober 2011. Pagina 10)

Minamisoma (Fukushima)-

Ruim 250 families die hun woonplaats rondom de kerncentrale in Fukushima in maart ontvluchtten, konden afgelopen weekend tijdelijk terug naar hun huizen. Het Japanse Rode Kruis faciliteert iedere zaterdag de mogelijkheid om maximaal vier uur de verboden zone binnen te gaan om achtergelaten spullen op te halen.

Plastic handschoenen, hoesjes om de schoenen, kapje over het hoofd, een plastic broekpak afgemaakt met een hagelwit mondkapje. Er wordt niets aan het toeval overgelaten in de oude manege in Minamisoma, die voor de gelegenheid is ingericht tot ontsmettingsruimte. De paardenschuur ligt slechts honderd meter van de evacuatiezonegrens. Alleen vandaag mogen gewone burgers in hun eigen auto er doorheen. Mits ze helemaal zijn ingepakt in plastic.

Op de dag van de verwoestende tsunami op 11 maart van dit jaar, werden alle inwoners binnen een straal van 30 kilometer rond de kerncentrale Fukushima Daiichi dringend verzocht belangrijke spullen te pakken en te vluchten voor het nucleaire gevaar. Velen gingen naar familie op andere plekken in het land, sommigen werden opgevangen in tijdelijke behuizing. Ruim een half jaar later leven ze nog steeds in onzekerheid. Zullen ze ooit terug kunnen? En hoe staat hun huis er bij?

Yuji Idogawa was basisschoolleraar in Odaka, een dorp 15 kilometer van de centrale. Nu woont hij werkeloos met zijn gezin elders in de provincie Fukushima. Het is de tweede keer na de ramp dat hij terug gaat naar zijn huis. De eerste keer was vlak na de ramp, een bliksembezoek. Niet langer dan een uur mocht hij toen in het gebied blijven. Vandaag kan hij meer spullen ophalen. “Het is waarschijnlijk de laatste keer dat ik thuis kom”, vertelt Idogawa terwijl hij in de rij staat voor de stralingsmeting. Voor vertrek wordt hij getest zodat de hoeveelheid straling na terugkomst goed te meten is.

“Ik denk dat we nooit meer definitief terug kunnen. De overheid kan wel zeggen dat de vooruitzichten goed zijn, maar ik vertrouw het nog lang niet. Ik kan mijn kinderen de gezondheidsrisico’s niet aan doen.”

De Japanse overheid schroefde de evacuatiezone vorige week met tien kilometer terug omdat er in de gebieden tussen de 20 en30 kilometer van de kerncentrale verminderde radioactieve straling zou zijn gemeten. Hoe gevaarlijk het is om gedurende korte periode het afgezette gebied binnen te gaan, weet niemand exact. Dat het niet geheel zonder risico’s is, weet iedereen. Matsumoto Sayaka van het Japanse Rode Kruis: “Het is op eigen risico wat deze mensen vandaag doen. Wij zorgen ervoor dat ze zich zo goed mogelijk kunnen beschermen.”

Voor vertrek wordt het tijdstip genoteerd. Men mag maximaal vier uur in het gebied zijn. Iedereen krijgt een klein meetapparaat om de nek gehangen, die meet op elk moment hoeveel straling er is. De autoraampjes gaan dicht, de airconditioner moet uit. Kinderen onder de 15 mogen niet mee.

Rond het middaguur druppelen de eerste auto’s weer binnen. De parkeerplaats van de manege staat vol witte partytenten, zo’n honderd stralingsspecialisten van TEPCO in witte pakken wachten op de eerste auto’s die terugkeren uit het gebied. Op lange tafels staan honderden geigertellers en bodymeters klaar. Alle auto’s worden grondig doorgemeten en als er geen alarmerend grote hoeveelheden straling wordt gevonden, mogen ze gaan.

Yuji Idogawa is ruim 3 uur thuis geweest. Hij heeft de zolder leeggeruimd, spullen ingepakt en wat door de buurt gelopen. Het was zeker niet makkelijker dan de eerste keer, vertelt hij met een glazige blik in de ogen. “Het dak van mijn huis is volledig verwoest door de aardbeving, de ramen zijn kapot. Tijd om dat te repareren was er niet. Overal is wildgroei. Het dorp is kilometers lang compleet verlaten. Het is treurig om je eigen woonplaats zo te zien.”

Zakken vol kleding en dekens. Zijn kleine Suzuki is helemaal volgebouwd. “Meer kon ik niet meenemen. Dit zijn het belangrijkste dingen.” Tussen de zakken staan dozen met speelgoed voor de kinderen, een paar fotoalbums en een stofzuiger.

Toyo Suenaga (71) ging voor het eerst terug naar haar verlaten huis aan de rand van Namie, een dorp op slechts 7 kilometer van de kerncentrale. Haar zoon ging mee. Lichte tranen biggelen over haar verrimpelde wangen als ze vertelt. Haar huis was een grote bende. Suenaga denkt dat er geplunderd is. “Veel spullen zijn verdwenen, het zag eruit alsof iemand was binnengeweest”, zegt ze ontredderd.

Als iedereen zich heeft ontdaan van de witte beschermingslaag, kan er weer opgelucht adem worden gehaald. De mondkapjes, handschoenen en witte pakken gaan in grote vuilniszakken naar een plek waar ze veilig verbrand kunnen worden. En dan moet er worden gemeten.

De straling gemeten na vier uur in het evacuatiegebied te zijn geweest varieert van 2 tot 5 microsievert per uur, rapporteert Matsumoto Sayaka van het Rode Kruis. Dat is niet meteen gevaarlijk, maar als je er zou blijven wonen zeerzeker wel. (zie info onderaan)

“We zijn allemaal bang”, zucht Toyo Suenaga. Een paar weken na de aardbeving bleek dat in Namie de hoogste dosis radioactiviteit is gemeten. Op de dag van de evacuatie had de 70-jarige gepensioneerde vrouw geen idee van de gevaren waaraan ze zeker 24 uur lang is blootgesteld. Dan moet ze gaan. Haar zoon heeft de auto voorgereden. Terug naar huis. Naar haar nieuwe huis. Niet 7, maar ruim 25 kilometer ver weg van de kerncentrale. Misschien is het daar wel veilig. Maar dat weet niemand zeker.

======

Hoe gevaarlijk is het nou eigenlijk?

De dosis die normaal wordt gemeten rond een kerncentrale is onder de 0,5 microsievert. Rond Fukushima Daiichi is dat momenteel tussen de 2 en 5 microsievert.

De hoeveelheid radioactieve straling wordt uitgedrukt in de meeteenheid Microsievert. De microsievert wordt per uur gemeten. Een (normale, natuurlijke) straling is 0,2 microsievert per uur, dat is al gauw (x24) 4,8 per dag en 1752 microsievert per jaar. 1000 microsievert is 1 millisievert. Per jaar dus 1,75 millisievert.

Niet-natuurlijke straling krijg je bijvoorbeeld door rontgenfoto’s te laten maken, of door vlakbij een kerncentrale te wonen. De maximum niet te overschrijden hoeveelheid ligt op 1 millisievert per jaar voor gewone burgers en 20 millisievert per jaar voor mensen die werken met radioactieve straling. Dat betekent dus dat zij na een jaar meten, ervoor moet zorgen dat de teller niet boven de 20 millisievert uitkomt.

De mensen die teruggingen naar hun huis in de no-go-zone rond de kerncentrale Fukushima waren maar vier uur in een gebied met verhoogde radioactieve straling. Ze maten tot 5 microsievert per uur. Dat is 120 microsievert per dag. En dus 43800 microsievert per jaar. Omgerekend is dat 43,8 millisievert per jaar: Meer dan het dubbele van de toegestane hoeveelheid van 20 millisievert. Dat zegt genoeg over het gevaar als deze mensen er zouden blijven wonen.

Fukushima-notes (2)

Zes uur in de vroege morgen. Een tijdstip waarop de Japanse zonsopgang uiteraard allang heeft plaatsgevonden. Wekker, douche, straat, busstation. De bus naar één van de door de tsunami zwaarst getroffen plekken, Minamisoma, vertrekt om half zeven en is nagenoeg leeg.

Via een couchsurfer in Shirahawa, die me in contact bracht met iemand in Fukushima, die me in contact bracht met iemand in Minamisoma, heb ik op de valreep een lieve Engelssprekende mevrouw gevonden die me graag een dag op sleeptouw neemt in haar treurige, verlaten, vernietigde, radioactieve woonplaats.

Mihoko is rond de zestig, maar ziet eruit alsof ze veertig is. Ze komt me ophalen in haar glimmend rode Toyota station. Haar lippenstift is bijna net zo rood als de auto. “Daar zul je Yoko hebben!” roept ze wild zwaaiend naar een naderende gestalte. Op Yoko na is er geen mens op straat. Minamisoma lijkt een stad in slaapstand. Alles is dicht. Tientallen kapperszaken op rij, allemaal hebben ze de luikjes dicht. “We noemen dit sinds de ramp de ‘gesloten-straat’”, vertelt Mihoko.

Yoko en Mihoko werken samen bij de Minamisoma International Association. Maar ze zijn ook dikke vriendinnen. Lachen gieren en brullen in de auto. Ik begrijp er vanzelfsprekend weinig van, want mijn Japans is nog altijd net zo slecht als mijn Swahili. Dan schakelt Mihoko opeens om naar het Engels. “Sorry, we hebben elkaar al twee dagen niet gezien, dus we moeten even bijkletsen!”. “Maar we gaan dus naar het Rode Kruis?”, vervolgt ze rap.

Ik heb een afspraak met het Japanse Rode Kruis op de grens van de 20km evacuatiezone rondom de kerncentrale van Fukushima. Een grote groep mensen gaat vandaag een paar uur terug naar hun verlaten huizen vlak bij de centrale.

We staan in een enorme sporthal waar iedereen een mondkapje draagt. Na een half uur interviews doen, vraag ik Mihoko of wij ook niet eens zo’n ding moeten regelen. Het lijkt me toch niet voor niets. “Nee joh!” Gilt Yoko. “Wij zijn sterke vrouwen!” Zonder dat Yoko het ziet, grist Mihoko toch snel twee mondkapjes uit de mondkapjesbak. Ze hangt ‘m nonchalant om haar nek. Niet om haar mond. Ik volg haar voorbeeld.

Een uur later, we zitten gedrieën weer in de auto. De sfeer is een stuk serieuzer geworden. 660 inwoners van Minamisoma hebben de tsunami niet overleefd. Nog 23 worden vermist. Mihoko kende er een aantal goed. Minamisoma is dubbel zwaar getroffen. De kust werd weggeslagen door de enorme vloedgolf, huizen werden compleet weggespoeld. En dan ook nog die verdomde kernreactor. Twintig kilometer. Mihoko is een maand geëvacueerd, maar keerde als één van de eersten terug. Ze wilde, ze moest terug. Het werk ging door en toen haar buurt werd vrijgegeven door de autoriteiten omdat de straling er gedaald was, vonden zij en haar man het verantwoord om weer naar huis te gaan. Haar kinderen en kleinkinderen zijn nooit meer teruggekomen. Niet eens voor een bezoek.

We stoppen bij de golfbaan. “Mitora-san, je móet onze baas ontmoeten!” Mitora-san. Zo heet ik in Japan. Die o zit er tussen omdat ze geen losse t-klank kennen. Dus wordt het Mitora. Ik vind het prima.

Mister Yoshinobu Shiga is eigenaar van de golfbaan in Minamisoma. Het is zaterdag en bijzonder druk op de baan. Uitsluitend mannen slaan zo hard ze kunnen balletjes het veld op. Het gras is lang. Veel te lang voor een golfbaan, zegt mister Shiga. Maar hij durft het niet te maaien. Hij doet iedere dag metingen, en het niveau van radioactieviteit is te hoog. Een heel stuk hoger dan op andere plekken in Minamisoma. Dus blijft mister Shiga voorlopig van het gras af. De golfers ook. Die slaan louter balletjes het radioactieve veld op.

Waarom staan jullie hier dan zo ontspannen te golfen? Vraag ik voorzichtig. Mister Shiga begint hard te lachen, bulderen bijna. “De mannen die je hier ziet hebben zoveel stress. Als ze niet konden golfen om te ontspannen, zouden ze gisteren al dood zijn neergevallen.” Naast de golfbaan wordt de grond rondom een verlaten kleuterschool omgeploegd. De bodem wordt verwijderd, zoals op veel plekken in Minamisoma. Ze hebben alleen nog geen plek gevonden om de radioactieve grond te dumpen.

We rijden verder. Naar een tijdelijke opvang voor mensen die hun huis zijn kwijtgeraakt door de tsunami. Een gymzaal met matrasjes, van elkaar gescheiden door kartonnen dozen. De meeste mensen zijn inmiddels allang elders opgevangen, bij vrienden of familie. Maar er zijn nog 43 eenzame zielen die hier tussen de kartonnen dozen hun dagen doden. Een vrouw van 73. Drie dekens en twee verhuisdozen heeft ze nog. Ze lacht verlegen als ik hallo zeg, maar staart diep de oneindigheid in als ik me nog even omdraai bij het naar buiten gaan. Ze ziet me niet.

Minamisoma stond ooit bekend om haar mooie stranden. Dat is behoorlijk verleden tijd. Na zeven maanden liggen er nog altijd auto-wrakken langs de kust, die een paar weken na de tsunami aanspoelden. Verlaten huizen staan op instorten. Een plastic wasmand op het strand. Er zit een pluche pinguïn in.

 

Fukushima notes (1)

Overpeinzingen en ontmoetingen op dag 1 in Fukushima

Ik zit op een stoepje tegenover het treinstation van Fukushima-stad. En ik kan het niet helpen. Ik kijk naar de mensenmenigte en denk: Zijn deze mensen heel langzaam kapot aan het gaan? Ziek aan het worden, dood aan het gaan misschien? Heel langzaam…

Fukushima is een middelgrote stad. Als je niet beter zou weten, een heel gewone, gezonde Japanse plaats. Waar mensen vrolijk lachend naar je buigen als je net iets te lang bij ze in de buurt blijft staan. Waar schoolkinderen met rode petjes in rijen van twee het zebrapad oversteken. De juf er met een fluitje in de mond paniekerig achteraan holt. Waar malle tekeningetjes de vele gebodsborden net wat dragelijker maken. Waar iedereen braaf wacht tot het verkeerslicht op groen springt, ook al is de straat leeg.

Het lijkt een vertekening. Of toch niet? Is het leven dan echt gewoon doorgegaan? Is iedereen vergeten dat de kerncentrale Fukushima no1 hier een luttele 60 kilometer vandaan staat?

Ik vraag het Kevin, een Taiwanese Canadees die twee jaar in Fukushima woont. Ja en nee, zeg hij me. Mensen zijn het heus niet vergeten. Ze leven iedere dag met de onzekerheid, de angst dat een onzichtbaar gif op hen neerdaalt. Maar wat moeten ze anders doen?

Het klinkt logisch, menselijk. The show must go on. Maar ondertussen lopen alle schoolkinderen met een touwtje om hun nek waaraan een kleine geigerteller hangt. De juf heeft ze geleerd hoe het ding te gebruiken. Als ze ergens willen spelen moeten ze eerst meten hoeveel radio-actieve straling er op die plek is. Als het metertje rood uitslaat, moeten ze binnen gaan spelen. Veel donaties voor scholen in Fukushima bestaan dan ook uit spelcomputers.

Zestig kilometer. De afstand van de stad tot de verwoestte kerncentrale. Je kunt erover speculeren. Maar volgens Kevin zijn op sommige plaatsen in Fukushima-stad hogere niveaus van straling gemeten dan op plekken op steenworp afstand van de kerncentrale.

In de supermarkt kun je een aardig potje Russisch roulette op de groente- en fruitafdeling spelen. Want hoe weet je nou zeker dat die peren niet van een gaard komen in de omgeving van de kerncentrale? Groenteverkopers doen hun best de herkomst van alle producten op een bordje te schrijven. Maar hoeveel stappen zitten er tussen de boomgaard en de supermarkt? Kun je alle tussenhandelaren op hun bruine ogen geloven? En dan nog de vraag: hoe gevaarlijk is het eigenlijk als je een peer eet die vol zit met straling? Eén peer, iedere dag een peer, of een perzik, of een krop sla, tomaten? En dan het drinkwater niet te vergeten. De rijst, of die overheerlijke sushi-vis.

Op de universiteit van Fukushima ontmoet ik Akinori. Hij is een jaar of twintig en deelt flyers uit. Ik pak er één aan omdat er een groot geel kernenergie-icoon op staat met een dikke rode streep erdoor. Akinori voert samen met honderden medestudenten actie tegen kernenergie in Japan. De Fukushima-afdeling van de actiegroep is na de ramp enorm gegroeid. Vorige maand organiseerden ze een massale demonstratie tegen kernenergie in Tokio waar tienduizenden mensen op afkwamen.

Akinori eet en drinkt wel gewoon alles, maar is daarom niet minder bang voor de risico’s. “De straling is zo ver gekomen dat het niet uit maakt of ik nu fruit eet uit een andere provincie”. Het gevaar is onomkeerbaar vindt hij. Zijn visie op kernenergie moge duidelijk zijn. En de overheid liegt zijn burgers voor door te zeggen dat het veilig is om hier te blijven. Waarom Akinori zelf niet weggaat? Hij wil Fukushima niet in de steek laten, voelt zich verantwoordelijk. Maar erg lang zal hij het niet volhouden. “Als ik over een jaar vertrek, ben ik nog wel te redden.”

Ondertussen liggen de supermarkten godzijdank vol met bakken gedroogde noodles in diverse smaken en kleuren.