The beginnings of a Bosnian spring?

Broadcast at Deutsche Welle’s Inside Europe, 13 february 2014

Protests in Bosnia and Herzegovina are ongoing after things kicked off in Tuzla and progressed to government buildings being burnt throughout the country. What started as a small protest turned in to a nationwide outburst at the way the country is being run. It’s the biggest uprising in Bosnia since the war and is already being dubbed the start of a ‘Bosnian Spring’.

Listen to the radio piece here

Babyrevolutie Bosnie verenigt verdeeld volk

Babyrevolutie Metro

Gepubliceerd in Metro, 24 juni 2013

SARAJEVO

De dood van de drie maand oude baby Berima Hamidovic heeft demonstraties in de Bosnische hoofdstad Sarajevo opnieuw doen oplaaien. Vorige week gingen weer tienduizend boze Bosniërs de straat op.

De grootste protestacties sinds de oorlog begonnen begin juni vanwege een politiek dispuut over burgerservicenummers dat grote gevolgen heeft voor pasgeboren baby’s. Sinds februari worden er geen ID-nummers meer uitgegeven waardoor baby’s geen zorgverzekering en reisdocumenten kunnen krijgen. Gevolg van een uit de hand gelopen meningsverschil tussen Bosniak (moslim), Servische en Kroatische parlementsleden over de vraag of burgerregistratie op staatsniveau of lokaal niveau moet gebeuren.

Moeders met kinderwagens omsingelden het parlement waardoor ministers en parlementsleden uren opgesloten zaten. De acties kregen al gauw de bijnaam ‘Babyrevolutie’.

Onderhandelingen over de burgerservicenummers liggen stil, demonstranten zijn voorlopig niet van plan te stoppen met acties. Iedere dag verzamelt een groepje actievoerders zich bij het parlement om te laten zien dat het zo niet verder kan en te praten over verdere acties.

“Het maakt ons niet uit tot welke etnische groep je behoort, parlementariërs moeten het hele volk vertegenwoordigen”, zegt Emir Hodzic, een van de organisatoren. “We eisen simpelweg dat ze hun werk doen”.

Bosnië is sinds 1995 bestuurlijk verdeeld in de drie etnische groepen die elkaar tijdens de oorlog bevochten. De Dayton-akkoorden maakten een einde aan de bloedige gevechten, maar lieten het land verdeeld achter; opgedeeld in een Servische republiek en een Bosnisch-Kroatische Federatie met ieder verregaande zelfstandigheid. Maar besluitvorming op landelijk niveau loopt steevast uit op onenigheid en stagnatie waardoor het land zich traag ontwikkelt.

De ruzie over burgerservicenummers is één van de vele problemen. “Al twintig jaar zitten we met een niet functionerend politiek systeem”, aldus Hodzic. “Maar dit is de druppel. Nu is er een kind gestorven”.

Het is voor het eerst dat mensen van alle etnische groepen samen strijden voor hetzelfde doel. Ze willen een beter leven, naar de toekomst kijken en de etnische strijd achter zich laten. Ze hekelen de nationalistische retoriek die de politieke elite keer op keer gebruikt om het volk verdeeld te houden.

Tien jaar geleden had zo’n opstand nog niet kunnen gebeuren, denkt Hodzic. Daar was de oorlog te vers voor. “Maar mensen realiseren zich nu langzaam dat ze dezelfde problemen hebben en dat etnische verdeeldheid niet de oplossing is”.

Volgens een onlangs uitgebracht rapport van Eurostat is Bosnië het armste land van Europa. Door het politieke gesteggel en gebrek aan vooruitgang staan ook onderhandelingen voor toetreding tot de Europese Unie op een laag pitje.

De demonstranten eisen dat het probleem met burgerservicenummers voor 30 juni is opgelost. “Dit is nog maar het begin”, zegt demonstrant Darko Brkan, van Kroatische afkomst. “Er is iets belangrijks in gang gezet, we stoppen hier niet”.

=======

Emir en Edina Hamidovic, de ouders van baby Berima, geven de staat de schuld van haar dood. Emir Hamidovic:

“Berima werd geboren met een ernstige maagziekte, ze kon niet eten. De operatie kon niet in Bosnië worden gedaan, dus moesten we naar het buitenland, zo snel mogelijk. Toen we bij de politie kwamen om een reisdocument aan te vragen zeiden ze: sorry maar we mogen geen burgerservicenummers meer uitgeven. We waren in shock. Ik zei tegen die ambtenaar: wat moet ik nu doen? Moet ik mijn meisje laten sterven omdat politici het niet eens kunnen worden? Uiteindelijk hebben we haar de grens naar Servië over kunnen smokkelen voor de operatie in Belgrado, maar het was al te laat. De regering is verantwoordelijk voor de dood van mijn dochter. Als ze een burgerservicenummer had gekregen had ze op tijd geopereerd kunnen worden en misschien nog geleefd. Mijn kleine meisje is nu dood. Met demonstreren krijgen we haar niet terug, maar we moeten blijven vechten voor andere kinderen die ook de dupe kunnen worden van deze politieke chaos. Ik wil tegen die politici zeggen: stel je eens voor dat jouw kind dit overkomt. We moeten doorgaan met protesteren.”

Van de oorlog in de drugs

Bosnie Drugs PS Parool scrsh

PS Het Parool, 25 mei 2013

SARAJEVO

Bosnie heeft ruim twintig jaar na de oorlog nog veel problemen. Eén daarvan is een groeiend aantal drugsverslaafden. Direct en indirect als gevolg van de oorlog.

Over de met puin bezaaide vloer schiet een rat weg, traptreden zijn half weggeslagen en muren ingestort. We zijn in één van de vele gebombardeerde gebouwen van Sarajevo die er twee decennia na de oorlog nog steeds als een ruïne bij staan. Nergens hangt een bord ‘verboden toegang’, maar iedereen weet dat je er beter niet naar binnen kunt gaan. Niet alleen vanwege instortingsgevaar, het pand wordt tegenwoordig gebruikt door Sarajevo’s drugsverslaafden.

Hulpverlener Admir Zejcirovic gaat er regelmatig naartoe. “Om naalden op te rapen”, vertelt hij terwijl hij door het verlaten pand loopt. Voorzichtig pakt hij een gebruikte injectienaald van de grond “Zie je, ze liggen overal”. Zejcirovic werkt voor Proi, een non-gouvernementele organisatie die met drugsverslaafden werkt. Naast het verspreiden van schone injectienaalden, biedt de organisatie ook begeleiding en opvang voor (ex)verslaafden en preventie-programma’s voor scholen.

Bosnië en Herzegovina kampt sinds de bloedige burgeroorlog in de jaren negentig met een groeiend drugsprobleem. Officiële statistieken ontbreken, maar hulpverleners zien de aantallen gestaag stijgen. “Niet explosief”, zegt Belma Lepir, projectleider en psychologe bij de Proi. “Maar sinds de oorlog zien we ieder jaar meer zware gebruikers”.

Tijdens de belegering van Sarajevo (1992-1995) nam het drugsgebruik in de stad in korte tijd enorme proporties aan. Als gevolg van bestuurloosheid en chaos ontstond een wildgroei aan illegale handeltjes en oorlogsprofiteurs sloegen hun slag. Door schaarste was er een levendige handel in sigaretten, alcohol, levensmiddelen. Maar ook in allerlei soorten verdovende middelen.

“De meeste heroïneverslaafden van nu hebben tijdens de oorlog hun eerste shot gezet”, zegt Lepir, die dagelijks contact onderhoud met verslaafden die in een behandeltraject zitten. “Ironisch genoeg gebruiken ze in de door diezelfde oorlog vernietigde gebouwen”. Sarajevo staat vol met gebombardeerde flats en kapotgeschoten karkassen van panden. Het zijn verlaten, gevaarlijke plekken waar verslaafden rustig hun gang kunnen gaan.

Ex-verslaafde en veteraan Nenad Marusic kwam tot kort geleden vaak in één van die ruïnes in ‘sniper alley’, de beruchte straat waar door sluipschutters vanuit de bergen op werd geschoten. “Ik was negentien toen ik voor het eerst heroïne gebruikte”, diep in gedachten verzonken gaat hij terug in de tijd.

Het is 1992, de oorlog is net uitgebroken. Net als veel jonge mannen sluit Marusic zich aan bij het Bosnische leger. “We zaten soms dagenlang verscholen in een flatgebouw. Er was angst, stress en verveling”. Marusic, nu 40, vertelt er gelaten over. “We waren jonge jongens, hadden nog niks meegemaakt. Dan ga je drugs gebruiken, zoals iedereen. Om de angst te onderdrukken, om sterker te zijn”. Het begon met marihuana. “Dat was al gauw niet genoeg. Het moest sterker”. In verlaten ziekenhuizen of apotheken en in neergeschoten ambulances vonden Marusic en zijn maten allerlei verdovende middelen. “We stalen medicijnen. Tramadol (sterke pijnstiller, red.), morfine, wat we maar tegen kwamen”. Later kwam de humanitaire hulp, in de militaire pakketten die werden uitgedeeld zat morfine. Er ontstond handel, morfine werd verkocht of geruild voor sigaretten of brood.

“Iedereen gebruikte. Aan het einde van de oorlog was heroïne de populairste drugs”, gaat Marusic verder terwijl hij een sigaret opsteekt. “Het kwam via VN-soldaten binnen. Iedereen wist: voor heroïne moet je bij de Russen zijn, voor hasj bij de Spanjaarden. Zo ging dat”. Dan begint hij te lachen: “We kregen het spul soms mee in ruil voor erotische films op VHS banden die we uit verlaten huizen in de stad haalden. Vooral de Spanjaarden waren daar blij mee”.

Oorlog en drugs hebben in de geschiedenis altijd in pijnlijk verband met elkaar gestaan. In Vietnam gebruikten soldaten heroïne om zichzelf te verdoven. Dezelfde verhalen gaan de ronde over Afghanistan, het land waar opium nota bene in de velden groeit. In Bosnië waren het niet alleen de soldaten die gemakkelijk aan verdovende middelen konden komen. De handel in drugs bereikte alle lagen van de bevolking. En nog steeds laat het zijn sporen na. De wereldwijde drugshandel vond een lucratieve route dwars door de westelijke balkan, waar chaos het eenvoudig maakte voor illegale praktijken. Bosnië werd één van de doorvoerlanden voor drugs onderweg naar west-Europa.

“Indirect brengt de oorlog nog ieder jaar ‘nieuwe verslaafden’ voort”, zegt Lepir met een diepe zucht. “Het zijn stuk voor stuk tragische verhalen”. Bojan Sertic (31) was nog geen tien toen de oorlog voor zijn ogen begon. Een maand later stuurden zijn ouders hem naar een tante op het platteland, ver uit de buurt van het belegerde Sarajevo. “Ik wist een paar jaar lang niet of mijn ouders dood of in leven waren”. Daar ging het mis, zijn tante had geen overwicht en Sertic hing op straat, begon alcohol te drinken en marihuana te roken. Dat werd al snel crack en cocaïne. “Als ik gebruikte voelde ik het soort liefde waar ik naar op zoek was. Alsof er een leegte werd opgevuld”. Toen Sertic na de oorlog hoorde dat zijn ouders nog leefden, ging hij terug naar Sarajevo. Maar met de drugs kon hij niet meer stoppen. “Ik werkte als barman in een club, daar gingen de drugs gewoon over de bar. Dat gebeurt nog steeds”. Het naoorlogse Sarajevo waar de jonge Sertic in terecht kwam was een harde wereld, er was geen ontsnappen aan: “Iedereen in mijn omgeving zat aan de drugs.” Sertic is nu bijna twee jaar clean maar ziet om zich heen nog steeds jonge mensen afglijden door de drugs. Het is veel te gemakkelijk om eraan te komen, legt hij uit: “Eén telefoontje en een ontmoeting in het park en je hebt voor een tientje een gram heroïne”.

In het centrum van Sarajevo zit het ‘Drop-in-Centar’ van Proi, een plek waar verslaafden schone naalden halen en informatie over afkickmogelijkheden krijgen. Voor de deur staan twee mannen druk pratend een sigaret te roken. Een van hen draagt een rugzak. Het is Admir, voorheen hevig verslaafd, tegenwoordig aan de methadon. In de tas zitten pakjes naalden in verschillende maten. “Admir is onze veldwerker”, zegt Belma Lepir. Admir weet waar hij moet zijn, kent veel verslaafden nog persoonlijk. Omdat de meeste verslaafden zich verstoppen, zorgen mensen als Admir dat de schone naalden toch verspreid worden. “Er is veel angst voor de politie”, legt Lepir uit. Zelfs Admir heeft soms moeite de verslaafden te vinden. “Ze zijn bang dat de politie me volgt. Vaak spreek ik een plek af waar ik de zak naalden neerleg, bij een boom in het park bijvoorbeeld, dan komen ze het later zelf ophalen”.

Bosnië krabbelt nog steeds op uit een van de gruwelijkste oorlogen van de moderne tijd. Het heeft daarnaast te kampen met armoede, werkeloosheid en oorlogstrauma’s. Maar ook met een slecht functionerend politieapparaat, een corrupt rechtssysteem en het onvermogen om op politiek niveau eenduidige beslissingen te maken. Het leidt ertoe dat drugsdealers hun gang kunnen gaan en de aanpak van de verslavingsproblematiek nog in de kinderschoenen staat. Proi is één van de weinige organisaties die verslaafden direct benadert en hulp aanbiedt.

Volgens Proi zijn er naar schatting 12.000 zware drugsverslaafden, met name heroïnegebruikers, op een bevolking van nog geen 4 miljoen. Ter vergelijking, Nederland heeft 17.700 heroïneverslaafden op een bevolking van bijna 17 miljoen (bron: Jelinek). Het is nog maar het topje van de ijsberg, zegt Lepir: “Verslaving is een taboe in onze samenleving.” Ze ziet bijvoorbeeld maar weinig vrouwen die hulp zoeken. “Dat is het grootste taboe. Vrouwen gebruiken toch geen drugs, wordt gedacht. Dat is natuurlijk niet waar.” Lepir hoopt binnenkort een speciaal meldpunt voor vrouwen te openen.

Het is de jeugd, de zogenaamde tweede generatie, die Lepir het meest zorgen baart. Veel jongeren verloren ouders tijdens de oorlog, in de meeste gevallen de vader. “Moeders hebben geen controle over hun zoons”, zegt Lepir. “Onze jongeren dragen de oorlogstrauma’s van hun ouders en groeien op zonder enig perspectief voor de toekomst”.

Nenad Marusic is inmiddels clean, maar worstelt nog dagelijks met zijn verslaving die nu plaats heeft gemaakt voor een onverwerkt oorlogstrauma. “Ik heb geleerd te praten”, zegt hij zachtjes. “En ik wil de oorlog niet meer de schuld geven. Want ik heb het zelf gedaan, het is mijn eigen verantwoordelijkheid.”

Kader:

De strijd tegen drugshandel wordt in Bosnië en Herzegovina extreem moeilijk gemaakt door de complexe constructie van de regering. De Dayton-akkoorden die in 1995 een einde maakte aan de langslepende oorlog, deelden Bosnië en Herzegovina op in twee entiteiten met elk verregaande autonomie. De Bosnisch-Kroatische Federatie en de Republiek Srpska. Beide entiteiten hebben hun eigen parlement, president en politiemacht. Door moeizame samenwerking tussen beide regio’s weten criminelen eenvoudig uit handen van de autoriteiten te blijven, simpelweg door zich van de ene naar de andere entiteit te verplaatsen. Bovendien ontbreekt een landelijke aanpak van criminaliteit en drugshandel. Toch heeft het land onlangs bij grote politieactie achttien mensen gearresteerd voor onder andere georganiseerde misdaad en drugssmokkel. Eén van hen is de president van de Bosnisch-Kroatische Federatie Zivko Budimir. 

Noodklok in cultureel Sarajevo

Mona-Lisa-Shurdown_poster_ss

Meer dan 200 musea wereldwijd (waaronder zes Nederlandse) zijn vandaag, maandag 4 maart, solidair met noodlijdende en gesloten musea en culturele instellingen in Sarajevo. Kunststukken worden afgeplakt met geel/zwart tape in het kader van de Day of Museum Solidarity. Hoe komt het dat musea in de Bosnische hoofdstad geen geld hebben om elektriciteit te betalen, laat staan voor personeel en onderhoud? Ik vertelde erover op Radio 1 bij KRO Goedemorgen Nederland. Hier te beluisteren.

Het Bosnische boek van de doden

Gepubliceerd in Het Parool op woensdag 16 januari 2013

Beluister mijn toelichting bij KRO Goedemorgen Nederland op Radio 1

‘Dit zijn onze doden’

SARAJEVO – Mitra Nazar

Vier dikke hardcover pillen liggen op de salontafel in het kantoor van Mirsad Tokaca. Vers van de drukker. “Ik heb ze op de weegschaal gelegd”, zegt hij. “Negen kilo”. Het Bosnische dodenboek telt vierduizend pagina’s met alleen maar namen. “Letterlijk en figuurlijk zware kost”.

IMG_6633

Mirsad Tokaca is de drijvende kracht achter het Research en Documentatie Centrum (RDC), een Bosnische NGO gefinancierd door diverse internationale organisaties en de Europese Unie. Dankzij het 17-koppige RDC-onderzoeksteam ligt er voor het eerst een officiële telling van het aantal slachtoffers als gevolg van de Bosnische oorlog in de jaren negentig. Misschien wel het belangrijkste naoorlogse project in Bosnië. In 2007 publiceerde het RDC de eerste resultaten in een online database. Maandag (21 januari) verschijnen de definitieve resultaten in het boek met de nietsverhullende titel ‘The Bosnian book of the dead’.

Hij glimlacht als hij de boeken optilt, want trots is Tokaca op het langdurige diepgravende onderzoek. Maar bloedserieus wordt hij als ze openslaat. Kolommen met namen komen tevoorschijn; welgeteld 95.940 namen van Bosniërs die de oorlog niet overleefden. Van ieder slachtoffer is naam, geboortedatum en plaats, sterfdatum en plaats, burger of militair en oorzaak van dood genoteerd. “Deze vrouw kwam om in 1992 in Sarajevo, door een scherpschutter”, leest Tokaca, die de belegering van Sarajevo zelf meemaakte, rustig voor. “Hier een kind, zeven jaar oud en geraakt door een granaat”.

Ruim 7000 getuigenverklaringen, 25.000 foto’s van grafstenen, 50.000 geschreven documenten en alle beschikbare informatie van gemeenten en NGO’s vormen de basis. Onderzoeksteams van het RDC zaten tussen 2003 en 2008 verspreid over het hele land. “Het was als een puzzel”, zegt Tokaca, die de teams leidde. “Om een volledig plaatje van iemand te kunnen maken, moet je zoveel mogelijk bronnen combineren.”

Voordat het RDC de resultaten publiek maakte, bestonden er louter schattingen. Schattingen die ver uiteen liepen, van 25.000 tot zelfs 300.000 doden. “Afhankelijk van de politieke agenda”, legt Tokaca uit. Het is dan ook niet gek, vindt hij, dat er vanuit alle windrichtingen op de Balkan kritiek kwam op zijn onderzoek. Bosnische Serviërs beweerden dat hij teveel doden heeft gedocumenteerd, Bosniakken (Bosnische moslims) op hun beurt dat het er te weinig zijn. “Als ze hun kritiek kunnen onderbouwen wil ik best luisteren. Maar niemand heeft bewijs. Niemand heeft namen.” Critici menen bijvoorbeeld dat het aantal kinderen dat als gevolg van de oorlog niet verwekt en geboren zijn, zouden moeten worden meegeteld.

Dat hij zelfs door mensen uit zijn eigen gemeenschap – Tokaca is een Bosniak – wordt bekritiseerd, kan hem weinig schelen. “We moeten geen mythe willen creëren rondom het lijden van ons volk”, zegt hij met vurige ogen. “Alsof 100.000 doden niet genoeg is!”

Hoewel het boek 95.940 namen van doden registreert, houdt Tokaca het aantal op ongeveer 100.000. Een dergelijke telling is vrijwel altijd een minimum, legt hij uit. “We moeten er rekening mee houden dat er slachtoffers zijn waar geen informatie over is. Maar het is onwaarschijnlijk dat er nog 100.000 bij komen. Hooguit een paar honderd.”

IMG_6635

Hoe morbide het ook mag klinken, het tellen van doden na een oorlog is belangrijk. Menig oorlog mondt jaren na dato uit in een strijd om de getallen. De Balkan kent een traditie van het opbieden van aantallen oorlogsslachtoffers. Over de Tweede Wereldoorlog bestaat ruim 70 jaar later nog altijd onduidelijkheid. Voor Tokaca was het een drijfveer: “Toen ik wilde weten wat er met mijn opa is gebeurd, kon ik niks vinden. Zijn naam staat nergens geregistreerd”, vertelt hij geroerd. “Dat mag niet meer gebeuren, zeker niet in de moderne tijd waarin we de middelen hebben om het te doen”.

Het Boek van de doden maakt geen onderscheid in etniciteit of religie. “We hebben simpelweg alle doden geregistreerd”. Het betekent dat Bosnische moslims, Kroaten en Serviërs door elkaar staan. Per gemeente, op alfabetische volgorde. “We moeten ophouden met de termen als ‘mijn slachtoffers, jouw slachtoffers”, zegt de onderzoeker fel. Hij legt zijn hand plechtig op de vier dikke boeken. “Dit zijn onze slachtoffers”.

Het is een dappere benadering in Bosnië waar anno 2013 nog steeds sterke etnische spanningen zijn. Na de oorlog werd het land volgens het Dayton akkoord opgedeeld in twee entiteiten. De Bosnische Federatie, waar Bosniakken en Kroaten deel van uitmaken en de Servische Republiek, waar de Bosnische Serviërs de macht hebben. De segregatie voert door in alle facetten van de samenleving, kinderen van verschillende achtergronden gaan nog altijd niet samen naar school. Elke groep heeft zijn eigen versie van de geschiedenis, het boek is daarom van wezenlijk belang voor de toekomst, benadrukt Tokaca. “Het gaat om ons collectieve geheugen. Dit boek is voor de volgende generatie die moet weten wat er is gebeurd. Niet op basis van politiek gekleurde schattingen, maar op basis van de feiten”. De statistieken van het RDC worden inmiddels als betrouwbaar en objectief aangenomen door de meeste Bosnische instituties, internationale organisaties en de media.

Kader:

Globale resultaten van het RDC onderzoek:

Totaal aantal doden(inclusief vermisten) als gevolg van de oorlog in de jaren negentig: 95.940. Aantal burgers: 38.239. Aantal militairen: 57.701. Waarvan 65% Bosniakken (Bosnische moslims); 26% Bosnische Serviërs en 9% Bosnische Kroaten.

Per etnische groep: Bosniakken: 62.013 (31.107 burgers en 30.906 soldaten); Bosnische Kroaten: 8403 (2484 burgers en 5919 soldaten); Bosnische Serviërs: 24.953 (4178 burgers en 20.775 soldaten); Overig: 571 (470 burgers en 101 soldaten).