De hemelbestormers uit de Himalaya

Gepubliceerd in Nieuwe Revu, 15 april 2015

Ze fungeerden jarenlang als kanonnenvlees. Het nationale voetbalelftal van Bhutan stond niet voor niets laatste op de FIFA-ranking. Maar sinds de glorieuze zeges op Sri Lanka is alles anders. Nieuwe Revu was erbij.

Woensdag 12 maart, de dag van de eerste wedstrijd.

Bedaard wandelt bondscoach Chokey Nima door het gangpad van de spelersbus. Zwijgend telt hij de koppen, als was hij een schoolmeester voor aanvang van een schoolreis. Twee spelers sprinten nog vlug de bus in, ze dragen elk een six-pack met waterflessen op hun schouders. Het is rond het middaguur, het heetste moment van de dag moet nog komen. De coach keert terug naar zijn stoel, voorin de bus, en sommeert de chauffeur de motor te starten.

Het is 12 maart, het piepjonge nationale elftal van Bhutan is onderweg van het hotel waar ze twee dagen eerder aankwamen, naar het Sugathadasa voetbalstadion aan de andere kant van de Sri Lankaanse hoofdstad Colombo. Twee motoragenten rijden voor de bus uit, slalommend door Colombo’s verkeersslagader Galle Road. ‘We hebben politiebegeleiding, zie je dat?’ fluistert teamcaptain Karma Shedrup Tshering (24) achterin de bus. Hij verbergt zijn ogen achter een zwarte zonnebril en hangt wat achterover in zijn stoel. ‘Best gaaf toch.’ We tellen ruim twee uur voor de aftrap van de wedstrijd Sri Lanka tegen Bhutan. Het is nog geen jaar geleden sinds het einde van het WK2014 in Brazilië. Maar vandaag beginnen de eerste kwalificaties voor het volgende wereldkampioenschap alweer: het WK2018 in Rusland. Het zijn de eerste voorrondes met de kleinste en onbeduidendste landjes, ver weg van de glamour, de miljonairs en de sterrenstatus waar de internationale voetbalwereld van doordrenkt is. Met landen als Pakistan, Oost-Timor, India en Mongolië. De laagvliegers in Azië, nietszeggende voetbalnaties die alleen maar dromen van kwalificatie voor een wereldkampioenschap. De underdogs van het internationale voetbal.

Terwijl de chauffeur de touringcar door het drukke verkeer manoeuvreert, is het muisstil in de spelersbus. Een van de spelers zit rechtop met zijn ogen dicht en zijn handpalmen tegen elkaar geduwd te bidden. Een ander heeft ook zijn ogen dicht, maar luistert via zijn mp3-speler naar het album van de band One Direction. Meer dan de helft van de Bhutanese spelers was niet eerder buiten Bhutan geweest, sommigen moesten speciaal voor deze reis een paspoort aanvragen. ‘We gaan hoe dan ook geschiedenis schrijven,’ glimlacht aanvoerder Karma. ‘We zijn dan misschien de underdogs, maar omdat we niks te verliezen hebben vechten we met alles wat we hebben.’

Als je op de wereldranglijst van de FIFA helemaal naar beneden scrolt, onder de Kaaimaneilanden (205), Djibouti (206), Cookeilanden (207) en Anguilla (208), kom je Bhutan pas tegen. Moederziel alleen onderaan, nummertje 209 van de 209. Als je naar de statistieken kijkt zou Bhutan het slechtste voetballand ter wereld moeten zijn. In de hele geschiedenis won het maar drie oefeninterlands, op het dieptepunt verloor het eens een wedstrijd met 20-0 (tegen Koeweit in 2000). Maar echt veel heeft Bhutan niet laten zien in de afgelopen jaren. Nooit eerder gaf Bhutan zich op voor WK-kwalificatierondes. Maar dit jaar stelde FIFA via een fonds 300.000 dollar beschikbaar voor kleine voetballanden, en greep Bhutan zijn kans.

Een dag eerder in het Sugathadasa voetbalstadion in Colombo.

Bondscoach Nikola Kavazovic van Sri Lanka staat zelfverzekerd op het veld. Zijn jongens trainen rustig aan vandaag, een dag voor de wedstrijd. Een van de spelers viert zijn verjaardag en wordt na de training door medespelers bedolven onder een stroom slagroom.

Kavazovic oogt relaxed. ‘Ik weet maar weinig van Bhutan,’ geeft hij toe, als hij even het veld afkomt en in de schaduw van de dug-out gaat staan. ‘Alleen dat het een jong en onervaren team is, een team dat we aan moeten kunnen.’

Sri Lanka, een eiland van twintig miljoen inwoners gelegen ten zuidoosten van India, moet het niet hebben van het voetbal. De voormalige Britse kolonie is, net als buurland India, verzot op een andere sport: cricket. Terwijl Kavazovic zijn team klaarstoomt voor de eerste kwalificatiewedstrijd zit de rest van het land dan ook voor de tv naar het WK cricket te kijken. Taxichauffeurs hebben geen benul waar het voetbalstadion is, maar rijden je blind naar alle kleine tot grote cricketvelden. Op straat spelen kinderen geen voetbal, maar cricket met zelfgemaakte cricketbatjes en kleine balletjes.

Langs de lijn loopt teammanager Emmanuelle Balendra nerveus heen en weer. Strak in driedelig pak is hij de enige op het veld die geen zweet op zijn voorhoofd heeft staan. Niet letterlijk tenminste. Figuurlijk des te meer want Balendra is bezig met het reisschema. Over een kleine week is de return in Bhutans hoofdstad Thimphu. Bhutan is moeilijk te bereiken, er zijn geen directe vluchten. ‘We hebben twee opties met acht uur overstaptijd,’ vertelt hij, lichtelijk overspannen. ‘Ik moet het hem nog vertellen. De coach maakt me af. Hij wil niet dat zijn spelers langer dan een uur vastzitten op een vliegveld.’ Balendra had reden om bang te zijn voor een heftige reactie van Kavazovic op het slopende reisschema. Een uitbarsting na een verloren vriendschappelijke wedstrijd in Bangladesh vorig jaar oktober staat hem nog scherp voor de geest. Kavazovic barstte volgens de krant Dhaka Tribune tijdens een persconferentie na de wedstrijd uit ‘als een vulkaan’, laaiend als hij was op de scheidsrechters die volgens hem partijdig waren. Dit is wat hij volgens de lokale krant zei: ‘Dit is een boodschap voor alle jongens en meisjes in de wereld: kids, stop met voetballen. Ga een andere sport doen. Want in voetbal zijn het corrupte, gemene en domme mensen die je toekomst bepalen,’ waarop hij woest de conferentiezaal verliet.

Kavazovic begint te lachen als hij terugdenkt aan die persconferentie. ‘Wat kan ik zeggen? Ik ben Slavisch, dat is hoe wij zijn. Emotionele mensen.’

Voetbal op dit niveau heeft weinig te maken met glamour, luxe resorts en chartervluchten.

In een simpel hotel vlak buiten het centrum van Colombo is het Bhutanese nationale team om twee uur ’s nachts aangekomen. De volgende ochtend bij het ontbijt is aanvoerder Karma Shedrup Tshering de enige die al wakker is. ‘Ik ben gewend aan gekke tijden,’ zegt hij terwijl hij de kamer laat zien waar twee medespelers nog liggen te slapen. Karma werkt vaak onregelmatige shifts. Hij is naast aanvoerder van het nationale team namelijk ook piloot voor de Bhutanese nationale vliegmaatschappij. Opgeleid in Australië is hij met 24 jaar de jongste vlieger tussen zijn collega’s. Spelers voor het nationale elftal krijgen omgerekend honderd euro per maand van de Bhutanese voetbalfederatie, maar dat is niet genoeg. ‘In Bhutan kun je niet leven van voetbal,’ zegt Karma nuchter. Dus hebben alle spelers een gewone baan of ze studeren nog.

Bhutan was tot de jaren zeventig van de vorige eeuw afgesloten van de rest van de wereld. Het Boeddhistische koninkrijk, hoog in de Himalaya ingeklemd tussen India, Nepal en China, werd pas in 2008 een parlementaire democratie toen de huidige koning het tijd vond om de modernisering binnen te laten. De meeste Bhutanezen leven nog steeds strikt volgens traditionele Boeddhistische regels en het koningshuis is onnavolgbaar populair, maar de tijden zijn veranderd. Teammanager Hishey Tshering, toevallig ook de oom van aanvoerder Karma, komt erbij zitten in de hotellobby. Hij begint te vertellen over hoe het vroeger was. ‘We hebben het altijd over een tijd voor, en een tijd na de komst van de televisie,’ zegt Tshering. Televisie was strikt verboden tot 1998, een poging van het koningshuis om westerse invloeden buiten de deur te houden. ‘Velen van ons hadden nog nooit een trainingspak gezien, laat staan gedragen,’ gaat hij lachend verder. Alle Bhutanezen liepen in die tijd verplicht in traditionele klederdracht, ook sporters. ‘We grapten met elkaar over hoe we eruit zouden zien in een trainingspak.’

Hishey was keeper en droomde van een internationale carrière, maar die kwam er nooit. In plaats daarvan begon hij zijn eigen reisbureau voor vogelspotters. En in zijn vrije tijd werpt hij zich nu op als manager van het nationale voetbalteam. Bondscoach Chokey Nima (45) komt de hotellobby binnen. Twaalf jaar lang speelde hij zelf voor het Bhutanese nationale team, van 1989 tot 2001. Tot 1998 had hij nog nooit een live wedstrijd op TV gezien. ‘We keken soms videobanden van WK-wedstrijden, die werden binnengesmokkeld via India,’ vertelt hij, licht glimlachend. ‘We hadden geen techniek, speelden alleen op fysieke training.’ Er is één wedstrijd waarvoor Chokey Nima het invoeren van de televisie graag weer even had teruggedraaid. Dat is de pijnlijke 20-0 tegen Koeweit in 2000, een van de eerste interlands van Bhutan. ‘Dat is een wedstrijd die we nooit zullen vergeten. Vanaf daar is het alleen maar beter gegaan met het Bhutanese voetbal.’

Aanvoerder Karma heeft andere besognes. Tussen de trainingen door moet hij nog van een vliegdienst af zien te komen. ‘Ik sta nog op het rooster voor een vlucht naar Singapore,’ zegt de jonge, charmante piloot. ‘Een dag voor de return wedstrijd in Thimphu.’ In theorie kan hij het redden, berekent hij vlug. Maar dat zou betekenen dat hij een nacht slaap moet missen. ‘Ik hoop dat mijn baas me nog van die shift af kan halen.’ Manager Hishey Tshering begint te lachen. ‘We kunnen niet allemaal profvoetballer en piloot zijn.’

Terug in het stadion, op de dag van de wedstrijd.

In het Sugathadasa stadion zijn inmiddels wat toeschouwers binnengedruppeld. Het zijn hooguit tweehonderd mensen waarvan ongeveer de helft bestaat uit in Sri Lanka woonachtige Bhutanese uitwisselingsstudenten. Ze zijn opgetrommeld door de Bhutanese voetbalfederatie om hun team aan te komen moedigen. Er is op hetzelfde moment een belangrijke cricketwedstrijd gaande tussen twee Sri Lankaanse hogescholen in een uitverkocht stadion een paar kilometer verderop.

Minuten voordat de wedstrijd begint, stormt Hishey Tshering plots de persruimte naast de tribune binnen. ‘Ik wil jullie even laten weten dat in dit land alleen de pers airconditioning krijgt,’ roept hij. De kleedkamer waar het Bhutanese team is ondergebracht, blijkt in deplorabele conditie. Er komt geen water uit de kraan en er staan twee oude ventilatoren die het beide niet doen. Tshering is woest. ‘Wacht maar tot ze bij ons in Bhutan zijn,’ roept hij bij het verlaten van de persruimte. ‘We zullen ze laten bevriezen!’ Het is 34 graden Celsius, de zon staat midden op het veld en de teams komen uit de kleedkamers om zich op te stellen voor de volksliederen. Coach Chokey Nima omhelst een voor een al zijn spelers. Nikola Kavazovic staat met zijn armen over elkaar in de dug-out. Het fluitsignaal klinkt.

Vrijwel niemand gaf het kleine Himalaya-staatje enige kans tegen Sri Lanka – ook niet ’s werelds beste team. Maar het Bhutan dat hier staat, lijkt in niks op wat het ‘slechtste team ter wereld’ zou moeten voorstellen. De verwachte massaslachting à la Koeweit 2001 blijft uit. De hitte, het grote wapen dat Sri Lanka in handen heeft, blijkt de Bhutanezen tijdens de eerste helft weinig te doen. Bhutan valt zelfs een aantal keer gevaarlijk aan. Sri Lanka blijft achter. Na de rust loopt de spanning op, het blijft lang een gelijke strijd om de winst. Totdat de 21-jarige middenvelder Dorji Tshering z’n elftal naar een historische dag sprint en schiet. Zes minuten voor tijd verdwijnt de bal keurig in het Sri Lankese doel. Het is de eerste winst voor ’s werelds slechtste voetbalteam tijdens hun eerste WK-kwalificatiewedstrijd ooit. Terwijl de brave Bhutanese medicijnstudenten feestvieren op de tribune rent de hele staf gillend en dansend het veld op.

‘We zijn hier gekomen en we hebben laten zien dat we kunnen voetballen,’ schreeuwt een hese teamcaptain Karma. Zweetdruppels gutsen van zijn gezicht. ‘We kwamen hier als underdogs, weet je,’ gaat hij half buiten adem verder. ‘We wisten dat we moesten scoren. We hadden één kans. En we hebben het gedaan!’

Terwijl Sri Lanka ontroostbaar in de dug-out zit bij te komen van wat ze zojuist is overkomen, moet Nikola Kavazovic zich vertonen in de inmiddels halflege persruimte voor een verplichte persconferentie. ‘Het is vernederend, ja,’ zegt hij geïrriteerd. ‘Verliezen van het slechtste team ter wereld.’ Coach Chokey Nima laat zijn jonge pupillen even uitrazen, maar zet ze dan snel met beide benen terug op de grond. ‘Dit is een geweldige prestatie,’ zegt hij voordat de bus terug naar het hotel rijdt. ‘Maar we zijn er nog niet.’ Als een wijze Boeddhist spreekt hij de jongens toe: ‘Als je eenmaal succes hebt gehad, blijft het een uitdaging om dat succes te behouden.’ Nog vijf dagen en ruim 3700 kilometer te gaan tot de returnwedstrijd in Bhutans hoofdstad Thimphu.

Bhutan, de return

Het vliegveld van Paro in Bhutan wordt beschouwd als de gevaarlijkste luchthaven ter wereld. Piloten moeten speciaal worden getraind om hier te kunnen landen en er is maar een handjevol dat het onder de knie heeft. De landingsbaan is namelijk ingesloten in het Himalaya-gebergte en extreem kort. Bhutan-aanvoerder Karma Shedrup Tshering is een van die piloten. Op het laatste moment heeft hij zijn vliegdienst kunnen ruilen en zit hij met zijn teamgenoten gewoon als passagier op de vlucht van Bangkok -overstapplek vanuit Sri Lanka – terug naar Bhutan waar ze zich gaan opmaken voor de allesbepalende returnwedstrijd. Thuis dit keer, voor volk en vaderland.

Door het raampje kijkt hij mee hoe zijn collega de landing inzet en langzaam tussen de bergwanden door manoeuvreert. ‘We mogen hier alleen visueel vliegen, dat betekent alleen bij daglicht en als het helder genoeg is,’ legt Karma uit. Tussen de hoge bergwanden wordt de landingsbaan langzaam zichtbaar. Het lijkt bijna onmogelijk om hier schadevrij een vliegtuig aan de grond te zetten. Maar de piloot laveert het toestel moeiteloos tussen de adembenemende bergen door. Bij de douane op het vliegveld verloopt het chaotisch. Bijna alle spelers hebben tijdens de overstap in Thailand flatscreen televisies gekocht en die moeten allemaal in- en uitgeladen worden. Want hoewel de tv inmiddels al vijftien jaar is toegestaan, heeft nog lang niet ieder huishouden een toestel, laat staan een hypermoderne flatscreen. De importkosten zijn torenhoog in het afgelegen en moeilijk te bereiken land, dus grijpt ieder zijn kans zodra hij in het buitenland is.

Als alle flatscreens en sporttassen door de douane zijn, komt het team gezamenlijk door de schuifdeuren naar buiten. Een groepje bedeesde studenten in traditionele Bhutanese kledij wacht ze op en houdt spandoeken in de lucht. De jongens glunderen van trots. In de bus naar de hoofdstad wordt Bhutanese rapmuziek gedraaid. Langs de weg hangen om de paar meter gekleurde gebedsvlaggetjes. Bhutan is een klein en trots berglandje met maar 750.000 inwoners. Het Boeddhisme staat aan de basis van de samenleving. Het land staat vol met afbeeldingen van Boeddha, met als hoogtepunt het ‘grootste zittende Boeddha-beeld ter wereld’ dat vanuit de bergen boven Thimphu waakt over de stad. Gemaakt van brons, gegoten in goud. De enigen die vaker zijn afgebeeld dan Boeddha, zijn de koning en de koningin. Hun portret siert winkelruiten, restaurants, kloosters en bungelt zelfs aan autospiegels in taxi’s. Een levensgroot kleurrijk fotoportret van het jonge echtpaar is zelfs het eerste dat je ziet bij aankomst op Paro airport. Een dag voor de wedstrijd komt het team weer bij elkaar, maar dit keer niet op een voetbalveld. En ook niet in sportkleding. De eerste die de bus uitkomt is coach Chokey Nima. Hij is gekleed in een kho, een soort kimono overslag-jas die tot de knieën rijkt. Alleen aan de blote benen en sportschoenen eronder is hij nog te herkennen als bondscoach. ‘Anders hè,’ grinnikt hij. ‘Dit is onze traditionele kleding.’ Op kantoor, bij officiële evenementen, in regeringsgebouwen en in kloosters is de klederdracht verplicht. Iedere Bhutanees heeft een paar van die traditionele outfits in de kast liggen. Het hele team moet vandaag in klederdracht komen, want de reis gaat naar een klooster in de bergen. Karma trekt zijn Bhutanese overjas recht en springt in de bus. ‘We gaan de goden even wat boterlampen offeren, bidden voor onze veiligheid, vragen om geluk voor de wedstrijd en dat soort zaken, je weet wel.’ Karma is zelf niet zo gelovig, maar voor sommige teamgenoten is het belangrijk, legt hij uit. ‘En,’ zegt Karma nuchter, ‘of die goden nou wel of niet bestaan, het helpt voor de teamspirit.’

Het laatste stuk naar het kleurige kloostertje moet gelopen worden. Drie monniken wachten het voltallige nationale voetbalteam op. Dan blijkt dat een paar spelers zich toch niet aan de juiste kledingvoorschriften hebben gehouden. Ze wonen ver van de hoofdstad en hadden geen tijd om hun kostuums nog op te halen. De monniken zijn meedogenloos. In trainingspak mag je niet bij de goden. Ook de sportschoenen die iedereen draagt, moeten uit voor het betreden van het godshuis. Om toch allemaal te kunnen bidden, wisselen de spelers onderling hun kho-jurken met elkaar. ‘Het heeft een psychologisch effect,’ zegt Dendrup Tshering (20), de spits die net klaar is met het voortgezet onderwijs en droomt van een professionele voetbalcarrière. ‘We hebben de goden gevraagd om een goed eind van deze kwalificatiewedstrijden,’ zegt hij serieus, in de bus terug. ‘We hebben het nodig om morgen weer te kunnen winnen.’

Was de hitte een week geleden het wapen van Sri Lanka, Bhutan hoeft weinig te doen om het tegenstanders moeilijk te maken. Thimphu is met 2648 meter de op drie na hoogste hoofdstad ter wereld, na La Paz (Bolivia) en Quito (Ecuador). In het Zuid-Amerikaanse voetbal is bekend dat elk team dat in La Paz speelt, keihard wordt vernederd door de thuisploeg die gewend is aan de extreme hoogte. Bhutan kan dit voordeel ook hebben. De lucht is zo ijl, dat een bezoeker de eerste dagen buiten adem raakt van slechts een korte wandeling.

‘Wij hebben nog nergens last van,’ zegt Nikola Kavazovic. Hij staat een sigaret te roken voor het hotel in Thimphu waar hij die ochtend met zijn team is aangekomen. Maar, zoals verwacht, de reis van Colombo naar Thimphu bleek een drama. ‘We hebben drie vluchten moeten nemen, moesten twee keer overstappen en hebben geslapen op van die vliegveldstoelen. Slopend,’ zucht de Servische coach. ‘En nu moeten we snel fit worden. Want we moeten de rotzooi opruimen die we in Colombo hebben gemaakt.’

Net als alle gebouwen in Bhutan, lijkt het Changlimithang Stadion van de buitenkant meer op een klooster of tempel dan op een voetbalstadion. Het uitzicht op de uitgestrekte bergen maakt van een voetbalmatch meer een schouwspel dan een sportwedstrijd. Het hele land loopt uit voor de eerste Bhutanese thuiswedstrijd in jaren en de eerste WK-kwalificatiewedstrijd ooit. Ambtenaren en schoolkinderen krijgen de middag vrij en wie niet naar het stadion kan komen, bekijkt de wedstrijd live op de nationale televisiezender. De entree is gratis, er passen zo’n 30.000 mensen in het stadion, maar een uur voor de aftrap is het al afgeladen vol. Een paar duizend Bhutanezen moeten de wedstrijd buiten het stadion op een scherm bekijken. In het stadion wordt gedanst, gezongen en elke paar minuten wordt onder luid gejoel een wave ingezet. Maar zodra het fluitsignaal klinkt, wordt het stil op de tribune.

Binnen een paar minuten wordt duidelijk dat Sri Lanka het lastig heeft tegen het in de winning mood verkerende Bhutan, thuis met tienduizenden fans op de tribune. De bezoekers houden zich echter staande en halen de rust met 1-1. Maar dan beginnen de hoogte en de lage temperatuur hun tol te eisen en raken de Sri Lankanen vermoeid. Wanneer Chencho Gyeltshen de winnende treffer maakt, vallen de Sri Lankaanse spelers op hun knieën in het kunstgras van het prachtige Boeddhistische Changlimithang stadion. De Bhutanezen zien hier hun droom uitkomen. Ze winnen ook hun tweede WK-kwalificatieduel, de eerste ooit op eigen grond.

Die avond viert Bhutan feest in een restaurant in het centrum van Thimphu. Karma is overdonderd door alle aandacht die hij kreeg na afloop van de wedstrijd. ‘Ik heb gewoon handtekeningen uitgedeeld,’ fluistert hij bescheiden. De charmante 24-jarige piloot is vrijgezel. Maar, ondanks zijn drukke bestaan als profvoetballer en piloot, ziet hij opeens kansen. ‘Misschien,’ zegt hij voorzichtig. ‘Misschien krijg ik hierdoor wel een vriendin.’

Advertenties

Kosovars turned back from the EU

Within a few months, around 50,000 people have left Kosovo. Thanks to a change in travel restrictions, they’ve headed via Serbia to Hungary, an EU member state and part of the border free Schengen zone. The mass exodus has taken the Kosovan authorities and EU governments by surprise. Many of these would-be emigrants have already been sent home from EU countries. Mitra Nazar reports from Kosovo.

Listen to the full radio report for Deutsche Well English 

Kosovo loopt leeg

Het is een koude vrijdagmorgen in februari. We zijn in de Hongaarse gemeente Ásotthalom, aan de landsgrens met Servië. Zoltan trekt zijn donkergroene muts tot over zijn wenkbrauwen. Hij heeft de Lada Niva, waarmee we vanuit het dorp naar de grens zijn gereden, langs de beek geparkeerd. We staan aan de rand van het bos, in een open veld aan een stromende beek die de groene grens tussen Servië en Hongarije markeert.

‘Dit is de plek waar de meesten zijn overgestoken,’ vertelt Zoltan. ‘Je ziet de spullen die ze hebben achtergelaten.’ Aan de oever ligt een kapotte paraplu en wat kledingstukken.

Hier heeft Zoltan de afgelopen twee maanden in totaal, schat hij, wel een paar duizend Kosovaren uit het water zien komen. Maar vandaag is het stil. Aan de overkant zien we in de verte een Servische patrouillewagen wegrijden. ‘De Servische grenspolitie probeert ze nu te pakken,’ verklaart Zoltan. ‘Ze verstoppen zich.’

Lees verder bij De Correspondent

Poverty forces a mass exodus from Kosovo

Kosovo has marked seven years of independence from Serbia. But there wasn’t much to celebrate. Since the beginning of the year there’s been a mass exodus from the country: according to some estimates, up to 100,000 people have left. The Kosovars are fleeing from poverty and unemployment back home in the hope of a better life elsewhere. Mitra Nazar followed them to the border of Serbia and Hungary.

Listen to the 11 minute radio reportage for Deutsche Welle English.

Radiorepo: Thessaloniki en de crisis

Uitgezonden op 20 januari 2015 bij VPRO Bureau Buitenland, beluister de hele reportage. 

Komende zondag zijn er verkiezingen in Griekenland, met mogelijk verstrekkende gevolgen voor de rest van Europa en de Euro. De partij Syriza staat op winst in de peilingen, en die wil in ieder geval een einde maken aan de grote Griekse schuldenlast en het strakke begrotingsregime. Correspondent Mitra Nazar reisde naar Thessaloniki, de tweede stad van het land om te kijken wat de gevolgen zijn geweest van alle bezuinigingen. En waarom zoveel burgers voor radicale verandering stemmen.

Onrust in Hongarije – anti-regeringsdemonstraties

Gepubliceerd bij VPRO Bureau Buitenland, 18 november 2014

Beluister de radioreportage hier

Hongarije is in de ban van anti-regeringsdemonstraties. Het protest richt zich bijna uitsluitend op één man: premier Viktor Orban, de leider die zich heeft ontpopt als een autocraat die geen tegenspraak duldt. En dat terwijl hij eens vrijheidsstrijder was.

‘Delete Viktor’ staat op één van de spandoeken die maandagavond in overvloed te zien waren op het plein voor het parlementsgebouw in Boedapest. Naar schatting tienduizend Hongaren gingen de straat op om hun democratie te verdedigen en het aftreden van premier Viktor Orban te eisen. Het protest kwam na een verrassend grote demonstratie eind oktober tegen de invoering van een controversiële belasting op het internet. Premier Orban kondigde niet veel later aan dat de internetbelasting voorlopig van de baan is, maar de Hongaren namen daar geen genoegen mee. Nu het land vier jaar stevig in de grip is van Orban en zijn partij Fidesz, broeit er iets in de Hongaarse samenleving.

Premier Orban gedraagt zich steeds meer als een autocraat, een autoritair leider met conservatief-nationalistische denkbeelden die geen tegenspraak duldt. Tijdens zijn vier jaar leiderschap heeft hij de controle over de media, de rechtelijke macht, economische instellingen, het bedrijfsleven volledig naar zich toe getrokken. Hij herschreef de grondwet en veranderde de kieswet en heeft nu ook de aanval geopend op door het buitenland gefinancierde non-gouvernementele organisaties.

Maar Hongarije is wél lid van de Europese Unie. En die zit niet te wachten op een autocratie in zijn midden. De zorgen groeien nu Orban zich ook nog eens naar het oosten keert, door deals te sluiten met de Russen over gas en de investering in een kerncentrale.

Het is bijna niet te bevatten dat diezelfde Viktor Orban zo’n 25 jaar geleden een anti-Russische vrijheidsstrijder was die aan de wieg stond van de democratisering in Hongarije.

Het is woensdagavond. Ik ontmoet Laszlo Keri in de studentensociëteit Bibo, in het Pest-district van Boedapest. De gepensioneerde hoogleraar politicologie is uitgenodigd om een lezing te geven over de huidige politieke crisis in Hongarije aan studenten politicologie en rechten.

‘Wil je zien waar Orban zijn eerste politieke stappen heeft gezet?’ vroeg Keri toen ik hem eerder op de dag belde. ‘Kom vanavond, dan vertel ik je alles over de dubbele persoonlijkheid van Viktor Orban.’ Lees HIER verder

Servie-Albanie – Tussen vliegende stenen en stoelen

Gepubliceerd bij Metro, 15 oktober 2014

Toen Dick Advocaat maandag tijdens een persconferentie in Belgrado tegen me zei: “Wij moeten ons alleen concentreren op het voetbal”, wist hij heus dat hij een zwaar politiek beladen derby tegemoet ging. En dat voetbal waarschijnlijk een bijzaak zou worden. Maar hij had, net als ik, vast niet kunnen vermoeden dat de EK-kwalificatiewedstrijd tussen Servië en Albanië dinsdagavond zou uitlopen op een slagveld. Op de tribune én op het veld. Tussen supporters én spelers.

‘Voetbal is oorlog’, het is een uitdrukking die soms te makkelijk in de mond wordt genomen. Oorlog als metafoor voor de sport, een strijd tussen twee teams en wie er scoort die wint. Op de Balkan zie ik hoe voetbal en oorlog letterlijk verband met elkaar houden. Maar zelfs met die wetenschap, kan ik gerust zeggen: ik heb nog nooit zoiets meegemaakt als Servie-Albanie .

Zenuwachtig
We zijn terechtgekomen op de oost-tribune. Het staat er vol Servische supporters die met vlaggen zwaaien en liederen zingen. Er heerst een vreemde sfeer voor aanvang van de wedstrijd. Iedereen kijkt zenuwachtig om zich heen. Sommige koppen staan gespannen, andere strak van de adrenaline.

Geruchten gingen de ronde dat Albanese fans toch zouden proberen het stadion in te komen, ondanks het strikte verbod op supporters van de tegenpartij en opgeschroefde beveiliging bij de administratieve grens tussen Kosovo en Servie .

Serviërs en Albanezen kunnen elkaars bloed wel drinken. De Kosovo-oorlog van 98-99 staat beiden nog vers in het geheugen gegrift. En deze wedstrijd winnen, betekent wraak. Wraak voor oorlogsmisdaden. Wraak voor landjepik. Afhankelijk van wie je het vraagt. Maar de haat is van beide kanten even sterk.

Ultras
De Servische politie had duidelijk gemaakt dat elke Albanese voetbalsupporter die zich rond of in het stadion zou vertonen, gearresteerd en veroordeeld zou worden. “Maar wat nou als ze er toch tussen staan?”, spookt door mijn hoofd. Als het tot een confrontatie komt, zouden er doden kunnen vallen, hoorde ik van supporters van zowel Servië  als Albanië . Eerder op de dag las ik dat een paar Ultras uit Kosovo in de straten van Belgrado selfies hadden genomen om te laten zien dat ze er toch zijn.

De wedstrijd is nog maar een paar minuten gaande of het gaat al mis. De eerste vuurwerkbommetjes worden op het veld gegooid. Er wordt goed gemikt door Servische supporters die zonder fans van de tegenpartij alleenheerschappij hebben in het stadium. Het vuurwerk komt terecht voor de voetbalschoenen van de Albanese spelers die steeds angstiger uit hun ogen kijken.

Dan gebeurt er iets wat niemand, maar dan ook niemand had zien aankomen.  De eerder luid zingende Serviër voor me is opeens stil. Zijn hoofd draait omhoog, hij kijkt naar de lucht. Er klinkt geroezemoes op de tribune. Dan draaien alle andere hoofden ook omhoog. Er wordt gewezen. Er vliegt iets in de lucht, boven het stadion. “Het is een drone !”, roept iemand.

Het duurt maar even voordat goed zichtbaar wordt wat er aan het onbemande vliegtuigje hangt. Het is een zwarte vlag met de afbeelding van het land Albanië of zelfs van het ‘groter Albanië’ , waar sommigen Albanezen voor pleiten: Albanië  inclusief delen van Macedonië  en Kosovo, plekken waar veel etnisch Albanezen wonen.

Stunt
Er wordt nog gevoetbald, maar niemand heeft meer oog voor de bal. De sfeer slaat om zodra Servische supporters door krijgen dat het een Albanese vlag is aan die drone . Een stunt van de Albanezen, die hun team niet mochten komen aanmoedigen in Belgrado. Ludiek en symbolisch, als het niet zo extreem gevoelig zou liggen.

De emoties op de gezichten van de supporters om me heen veranderen resoluut van verbazing naar woede. Er wordt geroepen, geschreeuwd, gefloten. “Haal die vlag omlaag, haal die vlag omlaag! Vuile Albanezen!” Paniek breekt uit.

Maar niemand kan wat doen. De drone wordt op afstand bestuurd. Door het stadion lopen officiers van de oproerpolitie zenuwachtig heen en weer. De trainersstaf druipt voorzichtig af, spelers kijken verdwaasd om zich heen.

De drone cirkelt een paar minuten boven het veld. Dan zakt ie langzaam naar beneden. De wedstrijd ligt stil. De drone met de vlag komt precies op de middenstip terecht. Daar staat de Servische aanvaller Stefan Mitrovic om ‘m op te vangen. Als hij de vlag probeert los te maken van de drone , rennen een paar Albanese spelers naar hem toe. Ze proberen de vlag uit zijn handen te trekken.

Op dat moment kan het hele spektakel nog als lichtelijk komisch worden gezien. Er komen steeds meer spelers omheen staan, ze vechten om de vlag. De symboliek druipt er vanaf. Albanezen willen hun vlag redden uit handen van een Serviër. Het gebeurt allemaal in een fractie van een minuut.

Op de vuist
Maar intussen zijn een paar fans over de hekken geklommen en het veld op gerend. Eentje heeft een losgetrokken stoel in zijn handen, hij loopt ermee op de Albanese spelers af. Terwijl ik de grimmige sfeer om me heen inspecteer, gebeurt er iets onwerkelijks op het veld. Albanese en Servische voetballers zijn met elkaar op de vuist gegaan.

De Albanezen proberen nog steeds hun vlag te pakken te krijgen. Servische spelers schieten hun Mitrovic te hulp, die de Albanese vlag nog steeds in zijn handen heeft. Er vallen wat klappen. Oproerpolitie komt het veld op gerend om de mannen uit elkaar te halen.

Op de tribune proberen vaders met zoons zich een weg te banen naar de uitgang. Jonge jongens trekken capuchons over hun hoofden. Voor me wordt met kracht een paar kuipstoeltjes uit de tribune gerukt. Van achter stormen woeste fans langs me heen naar beneden. Klaar om te vechten.

Stenen en flessen
De controle is weg. Bij de uitgang staan inmiddels een paar tientallen angstige mensen die het stadion uit willen. Binnen moeten de Albanese spelers rennen voor hun leven, ze worden bekogeld met stoelen, stenen en flessen. Servische supporters jagen ze letterlijk het veld af, de kleedkamer in.

Na een verhitte escape het stadion uit, komen we aan bij een wegrestaurant in de buurt. Het is omsingeld  door oproerpolitie. De TV staat aan, de sportzender laat het stadion zien. Het veld is leeg, de spelers zijn verdwenen maar de supporters razen nog door op de tribunes. De ober kijkt chagrijnig. Hij mag de hele avond al geen alcohol schenken. “Vanwege die klotewedstrijd” , zegt ie. Hij is het wel zat inmiddels. Op tv wordt nu officieel bevestigd dat de wedstrijd niet meer verder gaat. “Dat betekent dat die monsters nu de straat op gaan”, roept mijn collega uit. Het voelt alsof we ons in de frontlinie bevinden. Een frontlinie die steeds verschuift. En er wordt ook al geen alcohol geschonken. We beraden ons op een nieuw escape.

Het werd nog een lange, onrustige nacht in Belgrado.